Beter geen teksten dan die van ARTZUID

U kunt nog naar ARTZUID, de ‘internationale sculptuurbiënnale’ in Amsterdam, maar of u dat moet doen hangt sterk af van uw gevoeligheid voor kunstbullshit. De  ongebreidelde flauwekulteksten bij de beelden doen de kunstwerken, hun makers, en vooral het publiek tekort.

Veelbelovend was dat de ‘curator’, zoals de samensteller van tentoonstellingen schijnt te moeten heten, dit jaar Rudi Fuchs was, kunsthistoricus, oud-directeur van het Stedelijk Museum en publicist over beeldende kunst. Kunsthistorici en (oud-)directeuren hebben we genoeg, maar er zijn slechts weinigen die begrijpelijk kunnen schrijven over soms abstracte kunst. Fuchs kan dat behoorlijk goed, bijvoorbeeld in de Groene Amsterdammer.

Of hij ook had bedacht dat de zestig abstracte beelden van naoorlogse kunstenaars moesten ‘aansluiten bij het themajaar Van Mondriaan tot Dutch Design’ en de invloed van De Stijl op de Nederlandse beeldhouwkunst moesten tonen, ik weet ik niet. Wél wilde hij de Nederlandse beeldhouwers ‘internationaal positioneren’ – ‘op de internationale kunstkaart zetten’, zoals directeur Cintha van Heeswijck het uitdrukte.

Enfin: Mondriaan, De Stijl, deze praat – vrolijk werd je er niet bij voorbaat van, maar alla, we gingen eens kijken op de Apollolaan, de Minervalaan en de Zuidas. Het is altijd een aardige wandeling en je verteringen bestel je bij de bekende Vrijwilliger op Leeftijd, in dit geval zelf een kunstwerk: de Kunstminnende Want Anders Verveelde Oudzuiddame met buitenmodel brilmontuur, uit wie onophoudelijk een onverstaanbaar maar hyperbeschaafd stemgeluid opborrelde: er waren vervelender manieren om de zondagmiddag te beginnen.

Het viel echter niet mee. De beelden, nou ja, opzienbarend was het niet – maar die begeleidende teksten! Of Fuchs ze heeft geschreven wordt nergens vermeld, maar als curator verbindt deze ‘eminent grise’ [sic], zoals hij op de website wordt genoemd, zijn naam aan de  flauwekul die hier valt op te tekenen, en ik kan me nauwelijks voorstellen dat hij daar zelf mee ingenomen is.

 

 

 

Zo staat bij het best aardige Schaduw Beeld van Cornelius Rogge: ‘Rogge’s [sic] beelden lijken te verwijzen naar een andere wereld zonder anekdote, terwijl het ruimtelijke aspect overheerst.’ Een weldenkend mens begint hierbij al onmiddellijk onwillekeurige rukkerige hoofdbewegingen te maken – hoeveel vragen kan één zin oproepen?- maar misschien volgt er een toelichting. Maar nee: dit is het, op de stalen plaatjes staat sowieso telkens slechts een zeer beknopte – ja, wat is het eigenlijk? Een toelichting in elk geval niet. De beelden lijken te verwijzen naar een andere wereld – ze doen dat niet dus? Dat wordt helaas niet duidelijk. Misschien ook wel. Of een klein beetje, of iets er tussenin. En kennelijk is deze wereld er één mét anekdote. Nah goed, laten we dat aannemen, de schrijver heeft ervoor doorgeleerd per slot van rekening. Dat verwijzen gebeurt dus terwijl ‘het ruimtelijke aspect overheerst’. Dat lijkt misschien vanzelfsprekend bij beeldende kunst, maar zo eenvoudig is dat niet, want er is hier toch sprake van een opvallende tegenstelling: het beeld lijkt wel te verwijzen, maar intussen overheerst dat ruimtelijke aspect. Of zoiets.
Eigenlijk moet je dan meteen rechtsomkeert  maken, maar soms wordt een mens gedreven door een aan masochisme grenzend doorzettingsvermogen om voornemens, hoe snel deze ook onzinnig blijken, geheel ten uitvoer te  leggen.

 

 

 

After the rain van Auke de Vries was het volgende werk. Hier had de schrijver zijn kans schoon gezien om in die ene zin die hij mocht formuleren een fout te maken die de al vrij abstracte inhoud nog een extra dimensie verleende: ‘De deconstructieve aanpak van De Vries geven [sic] zijn beelden een open structuur waarin fragmenten met elkaar zijn verbonden als woorden in een gedicht.’ Wat een ‘deconstructieve aanpak’ is weet ik niet, maar je kunt je er iets bij voorstellen: je ziet hoe iets in elkaar zit. Dat kun je natuurlijk ook gewoon zo zeggen, in plaats van met halfslachtige verwijzingen naar begrippen als deconstructie en deconstructivisme. En die ‘fragmenten’, die zijn dus onderling verbonden als ‘woorden in een gedicht’. Het klonk wel goed, en ik had het graag voor u gecontroleerd, maar het ging niet.

 

 

 

Toen kwamen we bij Connecties III ‘als rozen’ van Jan Maaskant: ‘Maaskant legt de focus op de wisselwerking tussen vorm en tussenruimte en tussen vorm en achtergrond.’ Nu begon een zekere lacherigheid zich van me meester te maken. Je hebt dus een vorm, een tussenruimte en een achtergrond. En daartussen bestaat een ‘wisselwerking’. En daarop legt de kunstenaar ‘de focus’. Hoe belangwekkend kun je iets volslagen triviaals formuleren? Zou zo’n schrijver, als hij koffie zet, het spanningsveld onderzoeken tussen de vorm en de tussenruimte van het koffieapparaat? Of tussen de vorm en de achtergrond? En als hij zit te kakken, for that matter?

 

 

 

Snel door maar, naar Sjoerd Buisman, over wiens Untitled (Sphere) te lezen viel: ‘Vanaf het begin van de jaren tachtig gaat Buisman groeiprocessen in de nemen als model voor sculpturen.’ In de maling? In de zeik? In de lorum? Wederom zag het schrijversvernuft geen kans één foutloze zin te noteren – en dan zwijg ik nog over de begrijpelijkheid. Want wat is de waarde van deze mededeling (waarin vermoedelijk het woord ‘natuur’ is weggevallen)? De artiest nam groeiprocessen als model (voorbeeld) en deed dat hier ook, zoals te zien is aan… Nee, dat staat er helaas allemaal niet.

 

 

 

Toen belandden we bij weer een fraaie volzin, nu over Public Hybrid van David Jablonowski: ‘Jablonowski merkt dat als hij een tweedimensionale afbeelding ziet, zich afvraagt hoe die er ruimtelijk zou uitzien [sic].’ Joh! Merkt hij dat? En vraagt-ie zich dat dan af? En toen?
Als je door het zorgjargon heen leest (‘Ik merk bij mezelf dat het wat met me doet’) kun je alleen maar concluderen dat de schrijver bedoelt dat de kunstenaar een afbeelding driedimensionaal weergeeft. Maar zeker is niets, dit is ARTZUID.

 

 

 

Bij Lon Pennocks Man valt te lezen: ‘De beelden van Pennock zijn een uitdrukking van het evenwicht tussen ruimte, massa en volume.’ Beelden die een uitdrukking zijn van iets, daar kun je je wat bij voorstellen: van een gedachte, een idee, of een opvatting bijvoorbeeld. Maar een uitdrukking van ‘het evenwicht tussen ruimte, massa en volume’ – geen idee. De beelden hebben een boven-, onder- en een zijkant, had er evengoed kunnen staan. Of: ze hebben een omvang, een gewicht en een prijs.

 

 

 

Op het bordje bij Space Time van Joost Baljeu staat: ‘Baljeu is van de generatie die na de Tweede Wereldoorlog de geometrische abstractie opnieuw ontdekt. In zijn onderzoek stelt hij vast dat de door Mondriaan nagestreefde vlakheid nooit volledig is gerealiseerd.’ Jaja. Een generatie van ‘ontdekkers’, die, zoals het moderne kunstenaars betaamt, ‘onderzoek’ doet. Als een soort wetenschappers, als homines universales. ‘Onderzoek’ dat nodig is om vast te stellen wat iedereen kan zien: we leven in een driedimensionale wereld. Het woord zegt het al, zou Reve zeggen.

 

 

 

Na Three of a kind van Ewerdt Hilgemann was het klaar. Er is een grens aan wat een mens kan verdragen: ‘Sinds 1980 confronteert Hilgemann perfectie in de constructie. Hij gaat onvoorspelbaarheid toestaan als een actieve factor in het maakproces.’ Twee zinnen maar liefst (terwijl die eerste al net zo duidelijk was als de vorige voorbeelden, zou ik denken, maar goed, ik ben geen kunsthistoricus). De beeldhouwer ‘confronteert’ ‘perfectie in de constructie’. Die uit de Verenigde Staten overgewaaide SBS6-betekenis van ‘confronteren’, tegenwoordig vooral gebruikt voor ontmoetingen met verdachten van strafbare feiten (zonder objecten dus) komt nog steeds wat gek over, want in het Nederlands confronteerde je tot voor kort iemand met iets. Maar goed: hij confronteerde dus ‘perfectie in de constructie’. Bedoeld was waarschijnlijk gewoon: hij liet zijn perfectionisme los. En toen kwam die tweede zin, dodelijk als het destijds revolutionaire tweede scheermesje in één apparaat: hij ‘gaat onvoorspelbaarheid toestaan’. Los van die wat kinderlijke constructie met ‘gaan’ is het een wonderlijke gedachte dat je onvoorspelbaarheid zou kunnen ‘toestaan’. Accepteren was een betere formulering geweest. ‘Als een actieve factor’ ‘in het maakproces’. Kortom: van Hilgemann hoefde het allemaal niet meer zo goed en mooi – hij deed maar wat en noemde het resultaat Kunst.

Gaat dat te ver?
Dat is wat dit soort teksten met de beschouwer doet: ze zijn onbegrijpelijk door hun abstractie (waartegen de kunstwerken zelf als wonderen van helderheid afsteken), dus je probeert ze te analyseren, en als je dan laag na laag hebt afgepeld, zie je dat er niets te begrijpen viel: er is niets overgebleven. Een lege huls. Een holle matroesjka. De kleren van de keizer. En daarmee zijn ze verdacht. Want waarom schrijft iemand zo Kafkaësk, zo Orwelliaans?

Laat ik het houden op kennelijke desinteresse, en onderschatting van het publiek. Teksten van niks, zonder enige inhoud, slordig geschreven, die ook nog eens niets te maken hebben met het geëxposeerde werk. Die daarmee dat werk en hun makers tekortdoen – maar vooral het publiek. O, dat subsidieverstrekkers en sponsors toch eisen stellen aan de kwaliteit van de begeleidende teksten, want één ding is duidelijk: beter helemaal geen teksten dan deze ongebreidelde flauwekul op ARTZUID – het scheelt waarschijnlijk ook geld.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *