De taal is onschuldig

Taal is de oorzaak van noch de remedie tegen racisme. Hecht niet te veel waarde aan woordkeus, realiseer je dat iedereen ‘framet’, en richt je strijd tegen onrecht op daden en niet op de taal, die onschuldig is.

In de NRC van 9 augustus schrijft Clarice Gargard dat taal ons wereldbeeld bepaalt en dat we daarom weloverwogen woordkeuzes moeten maken: geen ‘neger’ meer zeggen bijvoorbeeld, en ‘inheems’ vervangen door ‘oorspronkelijke bewoners’. Met haar formuleringen (‘Taal is een machtsmiddel’) lijkt ze de taal de schuld te geven van misstanden als racisme. En ook de oplossing te zoeken in die taal. ‘Taal verraadt hoe je de wereld eigenlijk ziet’, schrijft ze met stelligheid. Als haar eigen taal iéts verraadt, dan is het dat zij die wereld wenst te zien ziet als het domein van een kwade genius die met boze opzet machtige woorden als magische spreuken uitstrooit over willoze slachtoffers. Een wereld, waarin je identiteit bepaald wordt door woorden.


Taal en denken

Maar de taal is onschuldig. Niet alleen maakt Gargard haar ten onrechte zwart, ook kent zij haar te veel invloed toe. De strijd tegen onrecht én de discussie zijn gebaat bij enig relativeringsvermogen en bij ratio, en niet bij met veel aplomb gedebiteerde, maar ongefundeerde beweringen, open deuren en achterhaalde inzichten. Zij zou zich moeten richten op daden, en niet op de taal.

Zo haalt ze er de steeds weer opduikende – maar veel bekritiseerde – Sapir-Whorf-hypothese bij, die kort gezegd stelt dat taal ons denken beïnvloedt. Een hypothese die helemaal niet gaat over het effect van individuele woorden, maar Gargard suggereert dat het complete wereldbeeld wordt bepaald door de woordkeuze. Daarbij legt ze het causale verband in het – achterhaalde – verhaal over de Hopi-indianen verkeerd uit: de Hopi kennen geen tijdsbepaling, zo schrijft zij, en ‘dus leven zij meer in het nu’. Alsof je geen kanker kunt krijgen als je geen woord voor die ziekte hebt. Zo daar al een verband is, dan ligt dat natuurlijk andersom: als het concept ‘tijd’ zoals de westerse wereld dat kent minder belangrijk voor je is, heb je er geen woord voor nodig.

Trotse zwarte man
Als je zo redeneert, is het een logische stap om woorden te willen veranderen om de werkelijkheid te veranderen. Nu doen wij dat allemaal in zekere zin, elke dag: ‘framing’, noemen we dat vaak. Je kunt het hebben over een werkster of over een interieurverzorgster – de vraag is welke werkelijkheid je daarmee verandert. Je kunt het hebben over een ‘persoon, bij de geboorte gezien als meisje’ – degene over wie je het hebt krijgt daardoor niet de gewenste kenmerken. En je kunt het hebben over ‘neger’, ‘persoon met een kleurtje’ of ‘mens van kleur’ – degene om wie het gaat ziet er nog steeds hetzelfde uit. Tegelijkertijd durf ik er mijn pet onder te verwedden dat u een geheel andere indruk van mijn overtuigingen krijgt als ik zeg dat ik een ‘trotse witte man’ ben, dan wanneer ik verkondig een ‘trotse zwarte man’ te zijn.

Kortom: woorden hebben allerlei betekenisconnotaties. We maken daar allemaal slimmer of minder slim gebruik van. Maar het gelijk dat je denkt te krijgen door woorden te veranderen resulteert vaak in een nieuw ongelijk.

Gemarginaliseerd?
Toch lijkt dat precies te zijn wat Gargard wil. Zij maakt zichzelf dan ook net zo schuldig aan ‘framing’ als haar opponenten. Ze suggereert dat je mensen geen ‘tokkies’ zou mogen noemen, maart heeft het zelf over ‘de onderklasse’. Dat mag kennelijk wel. Ze suggereert dat een ‘dominante groep’ (met onmiskenbaar negatieve connotatie) ten onrechte bepaalt ‘hoe gemarginaliseerde groepen genoemd mogen worden’. De underdog mag dat kennelijk wél bepalen. En let op dat woord ‘gemarginaliseerd’, met het betekenisaspect van opzet: als je je identiteit op zo’n manier laat bepalen door woorden, zeg je daarmee eigenlijk zélf: die zielige negertjes. Wie schiet daar wat mee op?

Gargard schrijft dat de wereld verandert en dat de taal moet meeveranderen ‘willen we deze nieuwe wereld nog begrijpen’. Het lijkt echter niet zozeer te gaan om begrip, als wel om het opleggen van een mening. Natuurlijk, voorstellen doen, discussiëren over alternatieven, daar is nog niemand slechter van geworden. Waarom zou je immers woorden gebruiken die velen beledigend vinden, of kiezen voor een terminologie die een louter westers perspectief representeert?

Maar overschat het effect van woordkeus niet. In dit tijdperk van ‘framing’ en ‘nepnieuws’ weten we inmiddels allemaal dat we sommige woorden met een korreltje zout moeten nemen. En van de Sapir-Whorf-hypothese rest slechts een vermoeden van een bepaalde mate van beïnvloeding tussen taal en wereldbeeld. Zo allesbepalend voor onze identiteit als Gargard ons wil doen geloven, is ons taalgebruik zeker niet.

In vrije samenlevingen, aldus Gargard, mag je nadenken over de impact van je woorden en de wereld die je daarmee creëert. Maar nadenken, dat mag nu juist overal – het gebruik van woorden aan banden leggen, dát is wat totalitaire samenlevingen karakteriseert: de wereld vormgeven naar jouw voorkeur door anderen hun vocabulaire voor te schrijven. De strijd tegen onrecht zou zich moeten richten op daden, en niet op woorden.

Naar de geest
Dus: vind je een woord beledigend? Stap dan naar de rechter – in Nederland bepaalt die wat mag en wat niet. En dan blijkt de context vaak bepalend voor het oordeel. Woorden zijn namelijk net mensen: ze geven elkaar betekenis. Goede rechters oordelen naar de geest, en niet naar de letter van de wet. Iets wat in discussies over taal en identiteit ook wat vaker mag gebeuren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *