Kunstbullshit

Klik hier voor een pdf.


Saillante onmiddellijkheid

Uit het programmaboekje van het Amsterdamse Felix Meritis.

Het zijn niet alleen de randfiguren, ook kunstenaars zelf maken zich wel eens schuldig aan kunstbullshit. Hier componist Richard Rijnvos over 'stijl'. Zo hadden we er nog nooit naar geluisterd! Stijl die 'beschikt over een saillante onmiddellijkheid', stijl die 'zich trefzeker als protagonist weet te presenteren' - inderdaad, 'stijl' laat zich niet eenvoudig in woorden vatten.

Even daarboven brengt Luc Ferrari 'een lichaam tot leven' - en dan vormt 'deze' een 'ritmische realiteit'. Mag het een onsje meer wezen?

Geplaatst op: 29-12-2011 door Taaldokter

Het gaat heel erg over

Misschien ligt het aan zijn relatieve onbekendheid met een bepaald soort theater- en muziekgenres, maar de Taaldokter vindt het altijd wat moeilijk als mensen zeggen dat die 'ergens over gaan'. Onlangs hoorde hij ene Giovanca beweren: 'Die voorstelling gaat heel erg over...' - waarover, dat drong al niet meer tot hem door. 

Sommige boeken, nou ja, daarvan kun je zeggen dat ze 'ergens over gaan'. Maar muziek? Dans? Het komt hem altijd voor alsof de spreker de materie geforceerd toegankelijker probeert te maken door maar te melden dat het 'ergens over gaat'. En dan niet een beetje, nee: 'heel erg'. Op zo'n moment dringt de vreselijke uitdrukking 'dat gaat helemaal nergens meer over' zich onwilekeurig aan hem op.

Geplaatst op: 29-12-2011 door Taaldokter

Gratuite vernieuwing

De P.C. Hooftprijs hanteert gratuite kwalificaties - ‘vernieuwing’, ‘bevrijding’, ‘het beweeglijk maken van sensaties’ - die revolutie suggereren, maar een politieke correctheid weerspiegelen die alleen nog nadruppelt in de kunstbeschouwing, en citeert uit een rapport dat niet te vinden is.

 

Op 19 december werd bekend dat de dichter Tonnus Oosterhoff in 2012 de P.C. Hooftprijs krijgt, een van de belangrijkste literaire oeuvreprijzen in het Nederlands taalgebied. Op de website van deze staatsprijs staat een ‘fragment uit het juryrapport’: ‘Oosterhoffs poëzie is in hoge mate vernieuwend, ze heeft de Nederlandse dichtkunst van diverse keurslijven bevrijd, niet planmatig of vanuit een dichterlijke ideologie, maar door persoonlijke oorspronkelijkheid en het bijzondere talent van de auteur voor het vastleggen of liever gezegd juist beweeglijk maken van moeilijk benoembare sensaties.’

Een fascinerende woordkeuze, die meer vragen oproept dan menig gedicht. Zo kun je je afvragen wat de jury bedoelt met een ‘dichterlijke ideologie’, en of er andere ‘oorspronkelijkheid’ bestaat dan ‘persoonlijke’. Prangerder vragen zijn echter: wát vernieuwen die gedichten precies, hoezo gebeurt dat ‘in hoge mate’, en waarom is dat blijkbaar zo goed dat het deze prijs waard is? Het antwoord is eenvoudig: ‘vernieuwing’ – in andere vakgebieden graag ‘innovatie’ genoemd – is tegenwoordig een pre op zichzelf. Zoals bedrijven moeten ‘innoveren’, moet poëzie ‘vernieuwen’. Maakt niet uit wát, áls het maar gebeurt: ‘vernieuwing’ is goed. En als je erbij schrijft ‘in hoge mate’, suggereert dat nóg meer kwaliteit. Altijd prijs. Zonder toelichting betekent het echter niets.

Daarnaast moet poëzie ‘bevrijden’ – zoals kunst vaak vooral schijnt te moeten ‘aanklagen’, ‘bekritiseren’ of ‘becommentariëren’. Want wie dacht dat de poëzie sinds de Vijftigers verlost was van vormdwang, komt bedrogen uit: Oosterhoffs gedichten hebben de dichtkunst alsnog bevrijd van ‘diverse keurslijven’. Hoeveel, en van welke aard, daarover spreekt de jury zich hier niet uit – en evenmin over de vraag waarom dat goed zou zijn. Blijkbaar was de vaderlandse poëzie door toedoen van duistere, niet nader genoemde krachten (vermoedelijk dezelfde als die welke ook de ‘vernieuwing’ in de weg staan) decennialang gedoemd tot een bestaan in onvrijheid. Wie kan er tegen die ‘bevrijding’ zijn? Hoewel: wie is er gebaat bij bevrijding na de oorlog?

Gelukkig gaat het hier ook om een dichter met talent. Nou ja, gelukkig: een talent ‘voor het vastleggen of liever gezegd juist beweeglijk maken van moeilijk benoembare sensaties.’ Hier resulteert het concretiserend bedoelde stijlmiddel van de zelfcorrectie (‘liever gezegd’) in regelrechte onbegrijpelijkheid: het beweeglijk maken van sensaties. Misschien doelt de jury op de website van de dichter met visuele grapjes en bewegende gedichten?

‘Vernieuwing’, ‘bevrijding’, ‘het beweeglijk maken van sensaties’: woorden die revolutie lijken te ademen, maar in werkelijkheid belegen algemeenheden. Ze weerspiegelen de achterhaalde, paternalistische politieke correctheid die de politiek zelf juist achter zich probeert te laten, maar die nog nadruppelt in de kunstbeschouwing. En daarmee vormen ze een fraai staaltje framing en zelflegitimering van de jury: deze poëzie ‘vernieuwt’ en ‘bevrijdt’ en is daarom goed. Zij vernieuwt het denken over wat poëzie zou moeten zijn op zo’n manier, dat u gaat denken dat wat wij goede poëzie noemen, inderdaad goede poëzie is. En als u niet begrijpt wat zij vernieuwt en waar zij ons van bevrijdt, dan illustreert dat alleen maar uw conservatisme, haar vernieuwingskracht en ons gelijk. Want die uiterst kwalijke dwangbuis waar zij ons van bevrijdt, dat is uw onbegrip.

Wat de jury lijkt te willen, is het publiek dat Gerard Reve beschreef in zijn gedicht Op mijn ouderdom:
‘Een meisje schrijft alles op, en als ik zeg
Die en die, die vind ik wel een groot dichter,
dan schrijft ze neer, in groot en leesbaar schrift:
“Die en die is een groot dichter”.’

Al met al maakt dat ene, in vele media geciteerde citaat razend nieuwsgierig naar het gehele rapport. En dan blijkt dit ook nog eens de taal te zijn van een autoriteit die zich blijkbaar niet degelijk hoeft te verantwoorden: het juryrapport is nergens op de site te vinden (wat trouwens geldt voor de meeste auteurs die de prijs sinds 1947 hebben gewonnen). Als je het nummer op de website belt, krijg je een aardige dame van het Letterkundig Museum in Den Haag aan de telefoon, die vertelt dat zij niet weet waar die rapporten zijn, dat ze daar toch eens achteraan moet, en dat ze het rapport te zijner tijd wel kan mailen, maar nu nog niet, want ‘er moeten nog wat kleine veranderingen worden doorgevoerd’.

Kortom: vooralsnog weten we niet meer over de keuze van de jury dan dat nietszeggende, slecht gemotiveerde, eenregelige citaatje uit een rapport dat niet te vinden is. Het klinkt goed, maar het is kul; een variant van 'de jury vindt het goeie gedichten'. Dat is allerminst een diskwalificatie van de dichter, maar wel van de jury en van de klakkeloos citerende media – die beide blijkbaar een taakopvatting hebben die net zo vrijblijvend is als het woord ‘vernieuwend’.

Zou de dichter die prijs onder voorbehoud durven weigeren - totdat het taalgebruik en de motivering van de jury glashelder zijn?

Geplaatst op: 28-12-2011 door Taaldokter

'Elite'

Wat die 'culturele elite' is en of die 'achterhaald' zou zijn, lijkt de Taaldokter irrelevant. Zijn pleidooi voor heldere taal in de kunstwereld was geen pleidooi voor 'niet-elitaire kunst' (wat dat ook wezen moge), maar precies voor dát: heldere taal.

Na de voorspelbare irrationele weerstand en defensieve reflexen blijkt de sector toch gevoelig voor argumenten. Langzaam maken politisering van het debat en verdachtmakerijen jegens critici plaats voor een gezond inzicht: met vage, opgeblazen taal bewijs je de kunst een slechte dienst, omdat het publiek in het beste geval de schouders ophaalt en in het slechtste geval knarsetandend afhaakt – waarmee je zélf een voedingsbodem legt voor bezuinigingsdrift.

Duidelijke taal dus. Niemand heeft gezegd dat dat makkelijk is, en het streven naar begrijpelijkheid van het Stedelijk Museum is alleen al daarom prijzenswaardig. Of daarmee het 'gat tussen kunst en publiek' wordt gedicht is de vraag - maar van de Taaldokter hoeft dat ook niet. Kunst mag best 'elitair' zijn. Kwalijk is het als zij zich ontrrekt aan kritiek door zich te hullen in nevelen van wartaal. Begrijpelijke taal stelt het publiek beter in staat zich een oordeel te vormen - en daarmee is al veel gewonnen.

 

Geplaatst op: 10-09-2011 door Taaldokter

Aftasten, acht slaan en vertrekken

De Taaldokter was er al voor gewaarschuwd: ook over de zuidgrens wordt driftig gegrossierd in kunstspeak. Het overigens prachtige gebouw van het Museum aan de Stroom (MAS) te Antwerpen huisvest een idioot eclectische collectie die zo'n beetje alles behandelt, van menselijke temperamenten tot de Antwerpse haven. Het deed denken aan museumpjes in Braziliaanse provincieplaatsen die hun exposities onveranderlijk beginnen met de oerknal, om de bezoeker vervolgens urenlang tussen kartonnen schotten door te leiden langs de wandelstokken en pijpen van oud-burgemeesters, om ze ten slotte uit te laten komen bij een panaromafoto van de omgeving die je voor de deur live kunt zien. 

Maar goed, prietpraat dus ook in Vlaanderen. Kunstenaars die hun onderwerp 'benaderen' - 'als een banaal gegeven'. Daar kun je al uren over peinzen. Dat ze daardoor 'ruimte scheppen voor reflectie' maakt het er niet helderder op. Gelukkig 'reiken' ze wel 'scherpe inzichten aan'. Hoe? Nou, bijvoorbeeld door 'met hun blik het reliëf van oppervlakken af te tasten'. Of door ergens 'acht op te slaan', of ergens van 'te vertrekken'. 

Benieuwd of ze bij het MAS ook De Standaard lezen.

Geplaatst op: 27-08-2011 door Taaldokter

Toch nog wat kunstpraat

 

De Taaldokter vreest dat het niet meer ophoudt, het gebruik van de drogreden van de stroman, de politisering van het debat en - in het verlengde daarvan - de op niets gebaseerde verdachtmakerij. Need he say more? Men lijkt niet te willen lezen wat hij schreef.

 

Geplaatst op: 16-08-2011 door Taaldokter

Kunstpraat (slot)

De Taaldokter is blij dat zijn artikelen ‘Met prietpraat verdedig je het belang van kunst niet’ en ‘Kunstwereld grossiert in holle prietpraat’ (NRC en nrc next, 9 augustus) de discussie over het taalgebruik in de kunstwereld aanwakkeren. Gezien de brede instemming (veelal van kunstenaars en kunstredacteuren zelf) werd dat hoog tijd: ‘feest der herkenning’, ‘mag ik het ophangen in mijn atelier?’, ‘vaak heb ik er een teiltje bij nodig’, ‘een verademing’, ‘gelezen met grote glimlach’, ‘hierom heb ik ooit een opleiding gestaakt’... 


Ook werd zijn vrees bevestigd, in fraaie bewoordingen: ‘Erger is dat deze zwammende club de touwtjes stevig in handen heeft en met zijn ondoordringbare jargon het publiek wil laten geloven dat kunst haar betekenis ontleent aan wat er over gezegd wordt’.

De vraag waar dit taalgebruik nu vandaan komt - op opleidingen aangeleerd onder invloed van ‘postmoderne cultuurfilosofen’? – is voer voor psycho- en sociolinguïsten. De Taaldokter werd in dat verband gewezen op het 35 jaar oude essay The painted word van Tom Wolfe (zie Wikipedia), en op vergelijkbare verschijnselen in de (pseudo)wetenschap. Interessant is ook de opmerking van een vertaler Engels-Nederlands dat ‘de Engelsen misschien nog wel erger zijn’.

Enfin, het probleem is duidelijk. Afgaande op de in beide kranten gepubliceerde reacties zou de Taaldokter echter bijna gaan denken dat zijn aanklacht net zo cryptisch was als de taal waartegen zij zich richtte. De briefschrijvers vermeden in elk geval zorgvuldig op de essentie van zijn betoog in te gaan.
De Taaldokter schreef dat de kunstwereld de indruk wekt een gebrek aan kwaliteit te verhullen, met haar wollige en opgeblazen taal. Daarom pleitte hij ervoor dat zij in begrijpelijke taal verantwoording aflegt over wat zij doet: degelijke informatie geven en keuzes beargumenteren - inderdaad zonder jargon (hoe nuttig dat intern ook moge zijn, voor het publiek werkt het niet). Iets wat heel normaal zou moeten zijn. Wil je dat niet of kun je dat niet, dan creëer je zélf afstand - en daarmee een voedingsbodem voor bezuinigingsdrift. Dat is meer een kwestie van gezond verstand dan van politieke voorkeur.

Maar o, wat ligt dat gevoelig! Het blijkt erg lastig te zijn om politieke overtuiging en opvattingen over subsidies buiten het debat te laten. Kritiek op de taal van de kunstwereld wordt geïnterpreteerd als kritiek op kunstenaars of het begrip kunst zelf. Zij zou generaliserend zijn en niet op feiten berusten. Welnu: de voorbeelden betroffen bestaande teksten over beeldende kunst, omdat juist die sector relatief zwaar wordt getroffen door bezuinigingen - toeval of niet. En dat zes van de tien Nederlanders achter de cultuurbezuinigingen staan, blijkt uit onderzoek (van Maurice de Hond; NRC, 3 juli).

De een meent dat de Taaldokter die wartaal wijt aan de kunstenaars zelf; hij klaagde echter juist degenen aan die verantwoordelijk zijn voor die vage bijschriften, brochures en websteksten. En waar komt de wetenschap vandaan dat de meeste beeldend kunstenaars dyslectisch zijn? Is daar onderzoek naar gedaan? Trouwens, al wás dat het geval: dat is hoogstens een excuus voor lees- en spelproblemen - niet voor bewust opgeblazen wartaal en gebrekkige argumentatie.
De ander schrijft: ‘Maar al te graag steunen dit soort figuren de bezuinigingen op kunst van dit minderheidskabinet’. Hoe hij dat uit het betoog van de Taaldokter heeft kunnen halen is een raadsel – het is in elk geval een creatief staaltje exegese: een verklaring van de bezuinigingsdrift interpreteren als een pleidooi voor bezuinigingen. En nota bene een collega-taaladviseur suggereert dat de Taaldokter pleit voor een soort Henk-en-Ingrid-taaltje in de kunstsector omdat die ‘te moeilijk’ zou schrijven.
De drogreden van de stroman, heet dat soort verwijten in de retorica: een karikatuur maken van het standpunt van je opponent. De Taaldokter riep niet op tot het gebruik van tienwoordenzinnen en éénlettergrepige woorden, maar schreef dat de kunstwereld zichzelf met wartaal tekort doet – en een goed verstaander had daaruit kunnen opmaken dat hij die wereld een warm hart toedraagt.
 
Natuurlijk draagt achtergrondkennis bij aan begrip en waardering voor kunst. Maar ‘kunstspeak’, die werk van kunstenaars ‘contextualiseert’, zoals dat wordt genoemd, werkt averechts. Dat vindt de Taaldokter niet omdat hij gebrek aan kennis tot norm verheft, of omdat kunst uit hapklare brokken populaire eenheidsworst zou moeten bestaan. Nee: juist omdát hij informatie wil – maar dan wel graag wel in gewonemensentaal. Die teksten zijn namelijk niet bedoeld voor kunstenaars of curatoren, maar voor het publiek. Eigenlijk een kwestie van – excusez le mot – respect.
 
Zouden de briefschrijvers liever iets anders hebben gelezen? Net als de gewraakte teksten roepen hun reacties de vraag op: slordigheid of moedwil? De Taaldokter gaat er maar vanuit dat het onnadenkendheid en onnauwkeurig lezen was. Vaststaat dat de wens ‘kunstenaars moeten nog veel onbegrijpelijker worden’ niet alleen tamelijk kinderachtig is, maar vooral een waarschuwing mag zijn voor de vaagschrijvers in de kunstsector: with friends like these, you don’t need enemies.
Geplaatst op: 16-08-2011 door Taaldokter

Reacties kunstpraat

De stukjes van de Taaldokter over kunstprietpraat in de NRC en de nrc next roepen nogal wat reacties op. Hieronder staan er enkele.

 

.

nrc next 1                                  nrc next 2                                NRC

Geplaatst op: 16-08-2011 door Taaldokter

Prietpraat 2

 

En ook vanavond in de NRC over kunstbullshit. Klik hier voor een pdf.

Geplaatst op: 09-08-2011 door Taaldokter

Prietpraat kunstwereld

 

De Taaldokter vandaag in nrc next over kunstbullshit. Klik hier voor een pdf.

Geplaatst op: 09-08-2011 door Taaldokter

Vaagtaal roept kritiek over kunstwereld af

Gezien de traditie van vage taal in de kunstwereld is het niet verwonderlijk dat zij er bij het publiek zo bekaaid vanaf komt. En dat is misschien wel terecht, want die taal lijkt bewust te worden ingezet om een gebrek aan kwaliteit te verhullen.

De weinig eloquente wijze waarop de kunstsector zich verweert tegen bezuinigingen wortelt in een traditie van in zichzelf gekeerd, vaag taalgebruik. Natuurlijk, het is lastiger de waarde van abstracte ‘objecten’ duidelijk te maken, dan van meer ‘blauw op straat’ of ‘handen aan het bed’. Maar de kunstwereld maakt het haar opponenten wel erg gemakkelijk. Zij lijkt geen heldere taal te wíllen spreken.

Neem de bijschriften en brochures in musea en galeries. Waar je als bezoeker begrijpelijke informatie en enige mate van objectiviteit verwacht, tref je in het beste geval een hermetisch proza, en in het ergste geval opgeblazen nonsens waar ook na noeste close reading geen chocola van valt te maken.

De sector grossiert in clichés, open deuren, Grote Woorden en interessante adjectieven. Ideetjes heten 'paradigma's' of ‘concepten’, veranderingen 'transformaties', gebruiksvoorwerpen ‘archetypen’ en smaakverandering ‘esthetische modelwisselingen’. 'Beelden' zijn 'iconisch' en hebben onveranderlijk ‘een sterke dynamiek’. Een allegaartje aan werken is ‘een veelheid aan uitingsvormen’. Staan en hangen objecten kriskras door de zaal? Dan is er ‘een ongebruikelijke relatie met de tentoonstellingsruimte’. Pleegt een kunstenaar plagiaat? Dan ‘omvat het oeuvre ook toegeëigende werken’.

In dit idioom is nietszeggendheid verheven tot norm. De kunstenaar is ‘geboeid’, ‘gefascineerd’ en bij voorkeur ‘gepassioneerd’ door ‘spanningsvelden’, ‘contrasten’ of ‘kwaliteiten’, die hij vervolgens ‘onderzoekt’ en waarmee hij ‘aan de slag gaat’. Werken die zo ontstaan zijn 'vehikels' met als belangrijkste eigenschap dat zij ‘reflecteren op’ of ‘refereren aan’. Bijvoorbeeld aan ‘symbolische associaties’, ‘culturele waarden’ en ‘verhaalstructuren’. Ook ‘spelen’ zij met ‘verwachtingspatronen' of ‘illusie en realiteit’. Zij ‘stellen vragen’, ‘vertellen verhalen’ en ‘doen voorstellen’. Deze werken hangen of staan dan ook niet gewoon, nee: ze ‘verhouden zich tot de ruimte’, of ‘verwijzen’ naar iets daarbuiten – maar in het ideale geval ‘naar zichzelf’.

Daarnaast is het uiterst belangrijk dat ‘het traditionele museumdecorum wordt verstoord’, of dat er - al dan niet ‘systematisch’ - wordt ‘bekritiseerd’, ‘ontregeld’, ‘becommentarieerd’, ‘aan de kaak gesteld’ of ‘blootgelegd’. ‘Stereotiepen en clichés’ bijvoorbeeld, of 'de overdaad en gulzigheid van de consumptiecultuur'. De 'voyeuristische verwachtingen van de kijker' doet het ook altijd goed.

Dit resulteert in teksten van een nachtmerrieachtige abstractie. Wat moeten we ons voorstellen bij werken die zijn ‘bevrijd van hun vierkante vorm’, ‘abstracte lijnen en geometrische vlakken’ die ‘een dialoog aangaan binnen de totaalvorm’, werken die ‘reflecteren op context, institutionele kadering, productie en receptie van kunst’, en kunstenaars die ‘de representatie van identiteit in de massamedia benaderen op zowel ethische, politieke, maatschappelijke, esthetische als epistemologische wijze’? Hoe serieus nemen we de kunstenares die parelkettingen bewerkt uit ‘diepe behoefte die zodanig aan te tasten dat andere eigenschappen dan de volmaaktheid ervan zichtbaar worden’?

Mag het een onsje minder? Het terminologische spervuur suggereert diepgang en degelijkheid, maar is zo betekenisloos dat het volslagen gratuit wordt. ‘Verwijzen’ en ‘ontregelen’ op zichzelf vormen geen garantie voor kwaliteit. En het aplomb waarmee wordt vermeld dat werken ‘belangrijk’ zijn – of, nog raadselachtiger, ‘urgent’ - getuigt vooral van onvermogen tot zelfreflectie en een wereldvreemde arrogantie. Dat is niet alleen potsierlijk; met deze esoterische wartaal wekt de kunstsector de indruk zich te willen onttrekken aan kritiek en eigenlijk een gebrek aan kwaliteit te verhullen. Geen wonder dat een meerderheid van de Nederlanders achter de bezuinigingen staat; wie niet al het gevoel had te kijken naar de kleren van de keizer, krijgt het wel door de holle prietpraat uit het humbug-lexicon.

Daarmee bewijst de branche zichzelf een slechte dienst - want de kwaliteit van de tekst zegt niets over de kwaliteit van de kunst. Toom die pretenties dus wat in, geef informatie in gewonemensentaal, en motiveer waarom iets goed bedacht of knap gemaakt is. Of zwijg; een mens wil ook wel eens gewoon een mooie expositie met werk van goede kunstenaars. En maakt dan zelf wel uit of het gaat om ‘urgente werken die spelen met zijn verwachtingspatroon’.

Denkt u dat het nu eenmaal zo hoort? Houd dan de kunstbullshitdetector bij de hand. En wees op uw hoede als het programmaboekje, het bijschrift of de recensie meer dan twee kunstbullshittermen bevat.

Geplaatst op: 04-08-2011 door Taaldokter

Boeiend idioom

 

Nog even wat kunstbullshit.

Dat de kunstenares 'geboeid is door het idioom van klassieke sieraden', dat is al op het randje (wat is in 's hemelsnaam het 'idioom van sieraden'? En wat betekent het als je daardoor 'geboeid' bent?).

Echt over de schreef gaat het bij haar 'sterke behoefte' om het karakter 'zodanig aan te tasten dat andere eigenschappen dan de volmaaktheid ervan zichtbaar zouden worden'. Dixit de kunstenares zelf; zo zie je maar dat het niet alleen de 'randfiguren' zijn die prietpraat uitslaan. Dit klinkt een beetje als het kind tussen de scherven of snippers: 'Kweenie. Ik wilde 't gewoon stukmakeh.' Er staan ook wel eens lieden in musea met de 'sterke behoefte' om werken van kunst 'zodanig aan te tasten dat andere eigenschappen dan de volmaaktheid ervan zichtbaar worden' - en die worden meestal rap afgevoerd. 

Dat de kunstenares ook nog de 'culturele waarden' rond het parelsnoer 'onderzocht', is tot besluit weer een staaltje degelijke research suggererende humbug. De Taaldokter voelt niet de minste behoefte deze tekst verder aan te tasten; het is schier onmogelijk dat daar nog andere eigenschappen dan onvolmaaktheid door aan het licht zouden komen.

 

Geplaatst op: 07-07-2011 door Taaldokter

Kritische benaderingen van epistemologische aard

Opvallende kenmerken van bullshit (niet alleen van kunstbullshit) zijn het gebruik van Grote Woorden, interessanterige adjectieven en zeer veel woorden in het algemeen - alles het liefst in combinatie. Dat hoeft allemaal geen probleem te zijn: uit angst voor Grote Woorden is zelden iets zinvols voortgekomen, bijvoeglijke naamwoorden kunnen verhelderend werken, en een grote hoeveelheid tekst kan een lust om te lezen zijn.

Maar: de zeldzame kijker die zich de moeite getroost alles te lezen in het Amsterdamse fotomuseum FOAM kan weinig anders dan concluderen: 'Aha. Fotojournalisten doen wat ze goeddunkt en hier hangt daar zo'n beetje een willekeurige selectie uit'. 

Willekeur, persoonlijke voorkeur, toeval: het mag allemaal best de grondslag vormen voor exposities. Maar het zou wel verfrissend zijn als dat gewoon eens werd gezegd, en als de tekstuele pretenties wat werden ingetoomd. 

Want wat wordt er nu weer beweerd? Aan Grote Woorden geen gebrek: 'onverwachte renaissance', de 'dood van de fotojournalistiek', 'paradigma's'. Ook de adjectieven ontbreken niet: een 'transformatie' is 'radicaal', 'concepten' zijn 'fundamenteel', een 'autoriteit' is 'absoluut', een 'figuur' 'almachtig' of 'heroïsch' en een 'beeld' 'iconisch'. En natuurlijk is er veel, heel veel tekst. Zo heeft die renaissance niet alleen te maken met 'nieuwe werkwijzen', maar ook maar meteen met nieuwe 'strategieën, perspectieven, technieken en spelers'. En de 'kritische benaderingen' zijn maar liefst 'ethisch, politiek, maatschappelijk, esthetisch, theoretisch als epistemologisch' van aard.

Mag het een onsje meer zijn? Ja hoor: er moet 'iets heel anders gaande zijn', er moeten zich 'ware omwentelingen;' hebben voorgedaan, 'benaderingen' moeten 'hun eigen geschiedenis en een veelheid aan uitingsvormen' hebben, 'clichés' moeten 'systematisch bekritiseerd' worden, en 'tegenvoorstellen' moeten 'zijn gekenmerkt door een diepgaande en hartstochtelijke trouw aan het beeld'. En dat beeld, dat 'is bevrijd van traditionele eisen' en 'vrij om andere vragen te stellen, andere stellingen te deponeren [sic] en andere verhalen te vertellen.'

Langzaam begint de kijker het lachen te vergaan. Een mens wil ook wel eens 'een leuke tentoonstelling met werk van goede fotografen'. En o, dat verlangen naar foto's die gewoon foto's zijn en geen 'verhaal vertellen' - laat staan 'vragen stellen'!

 

Geplaatst op: 03-06-2011 door Taaldokter

Fascinatie voor de nieuwheid van dingen

Bij: Chinese Stools. Made in China Copied by Dutch, 2007, van Wieki Somers, collectie Stedelijk Museum te Amsterdam.

Zozo. Die Chinese fascinatie toch. En niet gewoon voor ‘nieuwe dingen’, maar voor ‘de nieuwheid van dingen’. Wat iets anders is, én onzin (alsof alle dingen nieuw zijn - zie Openbaringen 21:5: ‘Zie, ik maak alle dingen nieuw’). Maar goed, als reactie hierop richtte de kunstenares zich dus ‘op andere kwaliteiten die ze er aantrof in het dagelijks leven’. Ja goed, hoe gaat dat, je slentert wat door Beijing en dan zie je wel eens een kwaliteit liggen in een steegje of achter een muurtje. En daar richt je je dan op. Als artiest. En dan word je ook ‘aangesproken’ door hoe die straatarme straatverkopers hun ‘zitmeubelen verpersoonlijken’. En dan ga je vanzelf ‘werken met contrasten en onverwachte eigenschappen’. En dan maak je een boot die niet kan varen of je ‘legt een rattenbontje over een vakensschedel: een surreële jachttrofee, waaruit je daadwerkelijk thee kunt schenken.’

Aardig om te merken hoe een informatief en wervend bedoeld tekstje vooral paternalistisch - om niet te zeggen kolonialistisch - overkomt; ook ten opzichte van de kijker/lezer.

Geplaatst op: 20-04-2011 door Taaldokter

Reflecteren op kadering

En daar was het weer, dit keer in het Stedelijk Museum in Amsterdam: een kunstwerk dat 'reflecteert op', 'een relatie heeft met', 'verwijst naar', 'markeert', 'zich verhoudt tot', 'is op te vatten als', en 'schatplichtig is aan'.

Wie zegt dat de terminologie enig wantrouwen gepast maakt, bezigt een understatement.

Wat is 'reflecteren op institutionele kadering, productie en receptie van kunst'? Onzin maken en afwachten wat men ervan zegt? En wat is 'kadering': kadrering of toch kade-ring? En nou, wat heeft deze installatie 'een ongebruikelijke relatie met de tentoonstellingsruimte'! Er ligt zomaar een deel op de vloer! Gelukkig 'verwijst' dit 'naar niets anders dan het object zelf'.

Dit is het werk waarom het gaat:

Geplaatst op: 30-03-2011 door Taaldokter

Kunstbullshit 2011

Het lijkt waarachtig wel of sommige op- en bijschriftenverzinners de KunstBullshitGenerator als leidraad gebruiken! Er wordt weer volop 'verwezen' (naar 'de bredere betekenis'), 'gerefereerd aan' ('de symbolische associaties') en 'bekritiseerd' ('de overdaad en gulzigheid van de consumptiecultuur').

Mag het een onsje meer zijn? De vanzelfsprekendheid waarmee het gebracht wordt blijft verbazen.

Geplaatst op: 30-01-2011 door Taaldokter

Kunstmatigheid benaderen

Bij de tijdelijke tentoonstelling Taking place in het Stedelijk Museum te Amsterdam



Dat werk van Kruger: leuk, imposant, beetje grappig - maar om nou te zeggen dat het 'de representatie van macht, identiteit en seksualiteit in de massamedia' 'benadert' - dat haalde de Taaldokter er niet uit. Hij zou trouwens niet weten hoe je dat doet, de representatie van iets 'benaderen'. 'Er in de buurt komen'? 'Het op kousenvoeten besluipen'?

Ook merkte hij niet dat het 'directe taalgebruik' (onder meer bestaande uit nogal gratuite kretologie zoals 'geloof + twijfel = gezond verstand') zijn 'sociale omgeving' 'aansprak'. Hij wist trouwens niet precies wat dat was, zijn 'sociale omgeving'; familie, vrienden en kennissen; collega's; medebezoekers? Die laatsten liepen er in elk geval niet bijster 'aangesproken' bij.

Enigszins geruststellend volgde dat die 'provocerende' en 'emotioneel beladen opmerkingen' het 'traditionele museumdecorum' 'verstoorden'. Daar was het de kunstenares natuurlijk om begonnen, gelukkig, de Taaldokter vreesde al dat het niet meer kwam: het 'aan de kaak stellen' van 'stereotiepen en cliché´s'.

Enfin. Gold voor Kruger dat de schrijver zijn hermetische idioom even niet wist te doorbreken, anders was het met het bijschrift bij het werk van Leavitt: de schrijver daarvan was overduidelijk een exponent van de stroming 'Hoe holler het werk, hoe holler de woorden'. Wat te denken van het overbekende 'spel tussen illusie en realiteit' - om maar te zwijgen van dat 'illusionistische diorama'; zelfs met het woordenboek in de hand kwam de Taaldokter er niet uit, en hij begon te vrezen dat de schrijver moedwillig de Kloof tussen kunstenaar en hardwerkende Nederlander in stand trachtte te houden.

Wel lukte het hem - naar eigen idee - vrij aardig om 'de kunstmatigheid van het werk te bevatten', maar er liepen enkele lieden in de zaal rond die zo te zien nog wel baat zouden hebben bij een cursusje 'kunstmatigheid bevatten - leer het nu zelf'.

En zo zetten beide bijschriften de toon voor het nader bepalen van hun betekenis. Of zoiets.

Geplaatst op: 09-10-2010 door Taaldokter

Vehikels spelen met verwachting

In de sympathieke Amsterdamse galerie W139 las de Taaldokter het bovenstaande. Hoe knipogend en tongue-in-cheek de opzet van de expositie ook mocht zijn, de indruk vatte post dat deze tekst wel degelijk serieus bedoeld was. En dan zie je toch ineens weer met frisse moed de platgetreden paden bewandeld worden, de oorverdovende clichés uit de kast getrokken worden, en de nietszeggendheid verheven worden tot norm.

'Spelen met' is altijd eng als het niet gaat om kinderen, en zeker in verband met kunstenaars; 'spelen met verwachtingspatronen', of, zoals in dit geval, 'spelen met kwaliteiten zoals verwachting, genialiteit en dilettantisme' is ronduit angstaanjagend. (Al was het maar vanwege de kwalificatie van 'verwachting' als 'kwaliteit'.)

We gaan even voorbij aan de onterechte apostrof in 'Faber's' en ontmoeten weer eens de term 'vehikel'. 'Middelen' en 'methoden' zijn de kunstbeschouwing te simpel; daar gebruikt men 'vehikels' - zoals de Amerikaanse cop niet in een car rijdt maar in een police vehicle (en zijn Nederlandse evenknie in een 'dienstvoertuig'). Een vehikel, nota bene, 'om los te komen van hun eigen psychologie'.

En natuurlijk wordt er 'blootgelegd'; hier de 'voyeuristische verwachtingen van de kijker'.

Enfin. De Taaldokter blijft hopen op een geslaagde grap, en kreeg in elk geval een glimlach op de lippen bij het lezen van het afsluitende citaat. Nu maar hopen dat de mensen niet denken dat dit de Taaldokter is die doet of hij Taaldokter is, spelend met het verwachtingspatroon van mensen die dan denken dat hij het niet zelf is, maar iemand die hem nadoet.

Geplaatst op: 01-08-2010 door Taaldokter

De som van instrumentale stuiptrekkingen

En als u toch niets te doen heeft, probeer dan deze tekst uit een programmaboekje eens te ontcijferen. Dat de tekstschrijver het vertaalde uit een Oostenrijkse krant mag geen excuus zijn voor de nachtmerrie-achtige abstractie die 'zich presenteert als de som van taalkundige stuiptrekkingen', zodat niemand meer 'met gereduceerde stilistische gebaren het voortbrengen van energetische opladingen begrijpt', ook al is er een 'vergelijkend extravert contrast' met 'gestileerde imiginaire taalfolklorismen' die 'dansen op vlakken van platte vergelijkingen', jankende taalgebruikers en onbehouwen barbarismen. En dan laat de Taaldokter zich hier nog van zijn 'emfatische kant' zien.

Geplaatst op: 24-04-2010 door Taaldokter

Weliswaar tekst. Echter van het raadselachtige soort.



Uit het programmaboekje.

'Dit werk vervolgens op een zinvolle wijze tot klinken brengen is de taak van de musici...',
'Het is de taak van de musici dit werk vervolgens op zinvolle wijze tot klinken te brengen...'
- er zijn verschillende goede alternatieven voor dat wat geforceerde 'Om dit werk vervolgens op een zinvolle wijze tot klinken te brengen...' Nu wordt de nietsvermoedende lezer op het verkeerde been gezet; deze verwacht namelijk een andere syntactische constructie en een ander semantisch effect - bijvoorbeeld: 'Om dit werk vervolgens op een zinvolle wijze tot klinken te brengen, oefenen de musici drie weken lang in totale afzondering.' En de lezer op het verkeerde been zetten, dat mag best, maar liever niet in programmaboekjes. En dan heeft de Taaldokter het nog niet eens over wat dat eigenlijk is, 'een werk op zinvolle wijze tot klinken brengen'; het doet hem denken aan lieden die het te pas - en vooral te onpas - hebben over 'de urgentie' van bepaalde 'werken'. En dat zijn geen prettige gedachten.

Een minder zeldaam voorbeeld van op-het-verkeerde-been-zetterij staat even verderop. Staat er 'weliswaar' in een zin, dan verwacht de lezer - terecht - in diezelfde zin te lezen wat er in (schijnbare) tegenspraak is met het onderwerp van dat 'weliswaar'. Hier stopt de zin echter abrupt: '... waarin beide toetsenisten weliswaar op hun keyboards traditioneel genoteerde noten spelen.' Punt. Zo. Aha. Maar dan pas komt het: 'Hun spel brengt echter geen keyboardklanken voort, maar... et cetera.' Raadselachtig, want hoe eenvoudig lijkt het niet gewoon een komma te tikken, en te vervolgen met 'maar'. Blijkbaar is dat niet zo. Het gekke is dat de schrijver wel weet hoe het moet: in het eerste fragment staat keurig: '... een taak die weliswaar ondergeschikt is aan het scheppen... maar die niet minder verantwoordelijkheid met zich meebrengt.'

De wegen der programmaboekjesschrijvers zijn soms ondoorgrondelijk.

Geplaatst op: 29-11-2009 door Taaldokter

Die ewige Wiederkunft

Uit het programmaboekje:

En wat valt de oplettende lezertjes op? Juist: de wederkerende werkwoorden keren niet weder. 'Zich realiseren' is 'realiseren' geworden, en zich toeleggen op' 'toeleggen op'. Nu moet men er bij sommige concerten inderdaad zowel financieel als geestelijk op toeleggen, maar dat de 'solistenensembles' dat zelf doen is zeldzaam. Des te prangender de vraag waarom er een zin later niet wordt gesproken over samenwerking met componisten bij het zich realiseren van partituren.

Wat is dit? Angst voor overdreven versleten te worden, of gewoon luiheid? Het past in elk geval in de tendens net zoveel weg te laten dat het begrijpelijk blijft. Oerhollands. Niet toeleggen op. Geen cent te veel.

Geplaatst op: 30-10-2009 door Taaldokter

Expositiebijschriften: het blijft behelpen

De Taaldokter bezocht de avant-gardetentoonstelling in het Van Goghmuseum; leuk, een beetje beperkt - maar die bijschrijften! Wie verzint die toch?

Het begon hiermee, over de best aardige foto's:

'Een sterke dynamiek' - scheer je toch weg! En  die 'schaduwpartijen' (vgl. 'rotspartijen' en 'waterpartijen' uit reiscatalogi, maar ook 'maatregelensets' uit overheidscommunicatie) die de foto 'een grafische kwaliteit' verlenen, dat is wel erg abstract zeg. Maar we gingen gewoon door.

Toen kwam dit:

O, 'men' spreekt hier van een shaped canvas? Mooi. En het schilderij is bevrijd. Ook goed. En daarmee lijkt het dus niet meer op een kunstwerk 'als venster'. O. Ja, want dat was het dus hè. Met uitzicht op 'de illusionaire wereld'. Hmm. Gelukkig zijn de abstracte lijnen en geometrische vlakken in gesprek. Ja? Jazeker, met elkaar. Binnen de totaalvorm.

Al op weg naar de uitgang viel de blik van de Taaldokter toen ook nog op een aankondiging van het nieuwe Stedelijk Museum:

Daar domineert 'een gesloten volume'. Toen mocht hij gelukkig weer naar huis. Bijschriften bij kunstexposities: het blijft behelpen.

Geplaatst op: 11-08-2009 door Taaldokter

Kunstgelul revisited


Zozo... het oeuvre omvat ook 'toegeëigende werken'. Gejat spul, eigenlijk. Alsof dat een pre is. Gelukkig hebben we hier weer eens een kunstenaar die niet iets maakt, maar 'in zijn werk refereert aan'. ('Refereert naar', zegt men dan meestal.) Deze artiest refereert onder meer aan 'literaire verhaalstructuren'. Dus niet aan literatuur zelf - dat zou wat al te makkelijk zijn. Nee, voor minder dan de literaire structuren doen we het niet. En daar refereert hij dus aan. Hij verwijst ernaar, eigenlijk. Het lijkt wel of die catalogi- en bordjesschrijvers het publiek zo snel mogelijk de galerie uit willen jagen met dergelijke kul; jammer, want misschien heeft die kunstenaar het zelf ook niet bedacht, en maakt hij best aardige dingen.

Geplaatst op: 13-06-2009 door Taaldokter