Radiocolumns

Borreluur

12 oktober 1995

Luisteraars, een goedemiddag, of wat is het eigenlijk, borreluur: dat niemandsland van de tijd, wanneer aan de lange, troostvolle togen van de stad de universele alcoholische verbroedering een aanvang neemt, als geen sprake meer is van rang of stand; het meest rekkelijke begrip uit het alcoholische handboek ook - borreluur. Magie. Ongeveer van vier uur ’s middags tot sluitingstijd der etablissementen.

Het is inmiddels weer wintertijd, en een zachte nevel daalt uit de hemelen neer, terwijl de straatverlichting in de omgeving het begeven heeft, waardoor ik mij in een Dickensiaans decor over straat beweeg. Ach, die goeie ouwe Zeedijk – ik heb het gemist. Op een haar na word ik geschept door wat wijlen Bob den Uyl een autohufter zou noemen – een toerist in een huurkar, die me volkomen blank opneemt alvorens weer te verdwijnen in de anonimiteit. Ik passeer de nachtclub – nog steeds dezelfde twee meter blauw gestempeld varkensvlees voor de deur, alleen met een nog droevere blik dan vroeger.

‘Dag jonge,’steekt hij me, in het voorbijgaan, een hart onder de riem. Ik maar een cafeetje binnen. In een poging de bar te bereiken bots ik bijna tegen een struise dame op, maar na enkele schijnbewegingen waarbij onze lichamen steeds dezelfde kant op neigen weten we een frontale aanvaring te vermijden, en al spoedig zet ze zich bij ons aan tafel. En als ik zeg ‘ons’ dan bedoel ik mezelf en de onvermijdelijke Oude Bekende. De dame blijkt Vlaamse te zijn, die, je kunt het zo gek niet verzinnen, in Amsterdam sexuele voorlichting geeft. In elk geval spreekt het mij enorm aan, en ook de Oude Bekende krijgt iets glazigs in zijn blik. De dame wordt gechaperonneerd door twee Chinezen die zó uit Kuifje zijn weggelopen: ronde, stalen brilletjes, smalle snorretjes en zeer lange tanden. Maar ze bijten niet, hoewel ze ook niet blaffen.

Dit illustere drietal troont ons later nog mee naar een zaak die van buiten woonhuis lijkt, maar bij betreding een enorme toog blijkt te herbergen, ach, wat kan ik er van zeggen, we hebben het al zo vaak meegemaakt maar steeds is het weer nieuw. Bij het verlaten van de inrichting zijn de Chinezen ineens verdwenen en schuifelt het Belgische voorlichtstertje mompelend tussen ons voort. De Oude Bekende en ik kijken elkaar over haar weelderige haardos aan – we versnellen onze pas en hebben al gauw een voorsprong van tientallen meters. Vanachter een glasbak zien we haar op de Nieuwmarkt een taxi inkruipen.

Dan gaan we in de nachtsnekber maar een pond drop halen die we met enkele biertjes wegspoelen. Een unieke combinatie luisteraars. En zo besluiten we dit uitstapje naar het verleden. Weer beloven we elkaar, met een blik in onze portemonnees, dit nooit weer te zullen doen, beter wetend, en we gaan ieder ons weegs.

De straatverlichting werkt nog steeds niet. Als ik thuiskom ligt de nevel in dikke slierten over de gracht, en terwijl ik het raam open doemen er twee witte schimmen op uit die mist: twee zwanen, van wie er een me bijna in de neus bijt. Boodschappers uit een andere wereld. En ik hoor de stem van de grapjas die wij Booms noemden door de jaren heen tot mij komen, sprekende en zeggende: ‘Als je niet oppast, maak je de raarste dingen mee.’ Zo is het maar net. En zo blijft het, tot vroeg de volgende morgen, als ik word gewekt door de luisterrijke machines waarmee de bouwvakkers, zieke oude dieren die hun laatste nest voor de eeuwige winter gereed moeten hebben, werken aan de nieuwgeboren broer van het te vroeg overleden Maupoleum, genaamd het Colosseum.

En ik begrijp dat het tijd is een blik te werpen in de Bosatlas, en al spoedig valt mijn oog op een oord waar de gemiddelde buitentemperatuur in de maand oktober 26 graden Celsius is bij zeven zogeheten zonne-uren per dag. En na dus weer eens geroken te hebben aan de geur van onze prachtstad bij nacht, zal ik u over twee weken een geheel ander lied zingen, van een eiland waar het altijd borreluur is, als tenminste mijn inmiddels gierende vliegangst geen zelfvervullende krachten blijkt te bezitten, en ik het vliegen op vrijdag de dertiende met een maatschappij die wat ellende betreft een naam heeft hoog te houden volbreng, en de prangende vraag waar te gaan zitten, bijvoorbeeld in het bij rampen nog een geringe kans op overleving biedende want niet zelden afbrekend staartstuk, hoewel daar weer niet gerookt mag worden, enfin, et cetera ad infinitum, als ik die het hoofd kan bieden dus. Intussen zou ik u willen toevoegen: voort maar weer, op het smalle pad der deugd! Nog een plezierige avond.

« Terug