Radiocolumns
De bevallige kokkin
Luisteraars, een goedenavond, of wat is het eigenlijk, borreluur.
Sta mij toe u te vertellen van een kille nazomeravond in het nabije verleden. Mijn Vriend de Kok en ik hebben de gehele avond zitten drinken met onze nieuwe vriendin de Charmante Kokkin, een aardige collega met heel mooie grote ogen. Maar ze woont in Amsterdam-Noord, een heel eind landinwaarts. Wij kennen Noord niet. Ja, uit verhalen van Nescio en van enkele nachtelijke tochtjes met de pont. Over die pont gesproken: vanmorgen bij de bakker vroeg een Amerikaan aan het bakkersmeisje hoe hij over het IJ kwam.
'You have to take the pound after Central Station', schalde ze door de zaak. De Amerikaan knikte alsof hij het begreep en maakte zich snel uit de voeten. Maar goed. Noord. Ook hebben wij er één dag gewerkt, bij het paardehaaroverslagbedrijf, of wat was het. Onze onhandige lange lichamen hadden moeite met de loodzware kisten geperst haar, maar de enige vaste werkkracht, Foe de Chinees, was er uitermate handig mee. Terwijl de dikke opzichtert op de vorkheftruck vloekend op zijn sigaar zat te bijten als ik weer een kist liet vallen, wentelde Foe de kisten met oosterse kracht om en om, voortdurend een mysterieuze glimlach op zijn lippen. De opzichter verstrekte ons in de pauze twee literpakken melk - blijkbaar was ook hier de mythe al doorgedrongen dat echte handwerkslieden gebaat zijn bij enorme hoeveelheden ondrinkbare nepmelk - en wij vroegen tussen twee slokken door: 'En Foe, heb je nog hobbies?' Olijk keek de Chinees ons aan en piepte: 'Ja, slapen en neuken.' Wij zijn de volgende dag niet terug gegaan. Tot zover onze ervaringen met Amsterdam-Noord.
En nu zaten we op de Nieuwmarkt en zouden onze Bevallige Kokkin even naar haar nachtbus brengen. Op het Centraal zien we haar in de bus verdwijnen en ik voel in mijn zak een strippenkaart. Mijn Vriend de Kok en ik kijken elkaar aan en het volgende moment zitten we al, gezellig naast de Charmante kokkin in de nachtbus naar Noord. Ze begint onmiddellijk over 'een heel gezellig kroegje bij mij op de hoek en anders hebben we thuis nog wel wat onder de kurk.'
'Hoe vindt je man dat eigenlijk?', vragen wij, 'Dat je zomaar met twee vreemde kerels op stap bent?' Maar we krijgen geen antwoord want we moeten uitstappen. En dat zou tijd worden ook, want onze bus rijdt al een kwartier door een soort Sperrgebiet, over een zeer lange straat waarvan de ene helft in aanbouw is en de andere opgebroken, alles in een merkwaardig leeg duister. Heel in de verte branden lichtjes.
'Daar moeten we zijn', gebaart de Charmante Kokkin met een brede armzwaai die het alcogholpercentage in haar bloed aangeeft, terwijl de bus om een plotselinge hoek verdwijnt en dematerialiseert. Na tien minuten komen de lichtjes niet dichterbij en vragen wij of het nog ver is.
'Niet zeuren jongens doorlopen.' En even later meldt ze: 'O jammer het leuke kroegje is dicht.' Mijn Vriend de Kok en ik kijken elkaar aan. We hebben geen café gepasseerd, alleen één hond en heel veel leegte. We hebben nog nooit zoveel ruimte om ons heen gezien. We krijgen het er een beetje benauwd van.
'Is je man nog wakker?', vragen we, met een blik op ons horloge.
'O ja hoor en anders maken we 'm toch wakker', zegt ze monter. Eindelijk wijken we van de straatweg af en gaan onder een poortje door. Plotseling staan we in een verhaal van Bordewijk: Blokken. Ook horen we overal Knorrende Beesten. Het decor is is een pleintje vol bordkartonnen arbeiderswoninggeveltjes met geschilderde begonia's achter de vitrage en kunststof bloemenperkjes voor de deur. Voor een van die donkere huisjes houdt onze Bevallige Kokkin stil en tast in haar zakken. Sleutel vergeten. Zien wij even paniek in die grote duistere ogen?
'Gaan jullie dáár nou even achter staan', wijst ze op een rood bakstenen muurtje. We gehoorzamen en proberen ons een interieur voor te stellen achter die deur, en geen grijnzende filmploeg. Het stevige geluid van een plinplongbel komt in echo's van de overzijde van het plein terug. Binnen slaat een hond aan. Kort daarop klinkt er gestommel en worden er grendels weggeschoven. Mij Vriend de Kok heeft zijn hoofd om het muurtje gestoken en ik zie zijn mond openvallen als de deur wordt ontsloten. In het zilverwitte maanlicht springt een enorme harige hond achter ons muurtje. In een poging hem te ontwijken stap ik naar voren.
'Richard, af!', hoor ik. Bijna de gehele breedte van het gangetje wordt in beslag genomen door een grote kerel met ontbloot bovenlijf, joggingbroek opgetrokken tot boven de navel. keukenmes in de hand.
'Wat-mot-dat!? Wat-mot-dat-daar-godverredomme!?' Even zijn we bevreesd dat de Bevallige Kokkin in alcoholische overmoed op een willekeurige bel heeft gedrukt, maar dan zegt de grote man: 'O ben jij het. Sorry hoor, sorry. Maar ik hep me eige só in de senuwe gegooid.' Of het wel zo verstandig is als we binnekomen, willen we weten. Maar dat wordt weggewuifsd, we móeten binnenkomen.
'En dit is nou mijn Charles.’
'Je mag wel een beetje aan je body werken Charles', meen ik te moeten opmerken, 'Je staat er niet bepaald afgetraind bij', mijn dronken wijsvinger priemend in de kolossale pens, op een rare manier opgelucht. Mijn Vriend de Kok naast me krimpt ineen. Maar Charles lacht alweer, ja ja.
En achter die toverdeur, ergens in Noord, bleek een zeer gezellig huishouden schuil te gaan. Onze Bevallige Kokkin, haar Charles en hun Richard de Hond stookten de kachel op, draaiden plaatjes en ergens werd een fles whiskey vandaan gehaald. Charles hield 't bij bier. Op tafel lagen tientallen blikjes, die merkwaardiuge deuken vertoonden. De Charmate Kokkin verdiende de kost en Charles bekwaamde zich in het huishouden.
'Charles is erg goed in de keuken', vertelde de Mooie Kokkin.
'Dát geloven we,’ zeiden we, met en schuine blik op de afwas die twee weken boven het aanrecht uittorende. Charles drukte een bikerblikje op zijn voorhoofd ineen. In rap tempo dronken we de fles leeg. De Schone Kokin lag uitgeteld op de bank. Charles was wat sentimenteel geworden en vroeg of we bleven logeren.
'We hebben een héél groot bed. En morgen bak ik eieren met spek.' Maar wij zeiden nee, we moesten maar eens op huis aan. De Slapende Kokkin deed één oog open en mompelde: 'Hier linksaf, dan almaar rechtdoor, dan rechtsaf door de bosjes en zo kom je bij de pont. Tien minuten lopen.' Ze stak haar duim in haar mond. Richard de Hond knipoogde. Dag Mooie Kokkin, dag Charles, dag brave Richard de hond, en we stapten de nacht weer in. Buiten was een lichte nevel neergedaald, we konden de overkant van het pleintje niet meer zien. Zwijgend liepen we wat te glimlachen door Amsterdam-Noord.
De kou deerde ons niet. De routebeschrijving bleek niet helemaal te kloppen, maar het was niet erg. We liepen langs hele kleine huisjes met nog kleinere tuintjes ervoor langs die hele grote verlaten weg. En overal bosjes. Dag afrikaantjes, dag kaapse viooltjes. Uiteindelijk kwamen we aan het IJ. We zagen nog juist de pont wegvaren, glimmend in het vage maanlicht. Mijn Vriend de Kok en ik zijn ieder op een dukdalf over het water gaan zitten kijken. We dachten aan Foe de Chinees, aan Richard de Hond. We wachtten op de dag dat we uitgekookt zouden zijn. Aan de overzijde mengde het flauwe oranje schijnsel der lantarend zich al met de grijstinten van de nieuwe, aanstormende dag, weer een dag van koken met de bevallige Kokkin.