Radiocolumns
De geest moet waai'n
‘De geest moet waaien,’ placht Johnny van Doorn te zeggen, en wij zeiden het hem na, toen we onszelf - op de vlucht voor de toeristische horden van de stad - op een vroege, door de elementen geteisterde ochtend terugvonden in een trein naar het Platteland, ik, mijn Vriend de Kok en een kruik oude jenever.
Vooral in de zomer lonken de vlakke verten buiten Amsterdam, en om naast de geest het getergde lichaam enige oefening te verstrekken hebben we besloten te gaan roeien in een Geheim Polderdorp: volgens velen een probaat middel tegen onze stadsdepressie, beter dan Prozac in elk geval.
De Noord-Hollandse vervoermaatschappij houdt vandaag een mediterraan aandoende dienstregeling aan, in elk geval is de kruik half leeg als eindelijk een verlaten bus voorrijdt op het winderige stationsplein, om ons naar het Geheime Dorp te vervoeren. Maar alles en iedereen goed gezind stappen we enigszins giechelend in. Op de achterbank blijkt zich toch nog leven op te houden: een schoolmeisje van een jaar of vijftien dat schichtig om zich heen begint te kijken als we haar na een kwartier een pepermuntje aanbieden. Prompt stapt ze uit, ergens midden op een groene dijk, en totdat onze bus kilometers verder achter een bomenrij verdwijnt zie ik haar hollen over die dijk, modieus rugzakje wapperend in de wind, nu en dan vreesvolle blikken over haar schouder werpend: zijn we niet omgekeerd om haar te dwingen tot het einde der tijden pepermunt te eten?
Die wind, die weet wat hier: een constante, de adem afsnijdende bulderwind is zo ongeveer het enige wat niet veranderlijk is aan de weersomstandigheden, ontdekken we als de kokette buschauffeuse ons er op een eenzaam kruispunt uit laat.
‘Ik heb ’t uitgerekend,’ roept ze ons na, ‘’t Is tweeënhalve kilometer lopen. Om vijf uur rijd ik hier weer langs, en dan pik ik jullie op.’
We wuiven met de kruik, en, optornend tegen de wind, begeven we ons in de richting van een verre torenspits. Ja, religie is een baken.
Misschien wás die wind wat straf, en we hádden wat gedronken natuurlijk, maar we vervloeken de chauffeuse als we anderhalf uur later met wapperende jassen langs ruisende rietkragen, argwanende vissers, piepende wilgen en bijtgrage erfhonden het Geheime Dorp binnenstrompelen. We besluiten eerst de hunkerende Inwendige op krachten te laten komen in een aan het botenverhuurbedrijf gelieerd café. Na langdurig klopwerk op de kleine raampjes en het luidkeels roepen van ‘Volluk!’ zien wij - de hand tegen het glas - een gestalte razendsnel achter de toog duiken, waarna we achterom lopen en het ritueel herhalen. Na enkele minuten wijkt het bovendeurtje en verschijnt het bultige gezicht van een jongeman. Wat we moeten. Angstige voorgevoelens dringen zich op, zijn halfdebiele trekken in ogenschouw nemend, maar we zeggen: ‘Roeien!’, waarbij we trekkende armbewegingen maken – laten we de conversatie maar tot een eenvoudig minimum beperken. Onmogelijk, volgens de jongen: ‘Wind!’, roept hij, onnodig luid, zijn appelwangen bollend tot doorzichtig wordens toe. Mijn vriend de Kok en ik kijken elkaar aan. Biertje drinken dan, in het café, of biljarten? Maar de jongen begint het deurtje nu weer dicht te trekken. ‘Gesloten!’, brult hij.
‘Hoe laat jij open?’ vragen we nog, maar het is al te laat: de drank is op, het café dicht, roeien mogen we niet, we groeien scheef van de wind en de bus komt pas om vijf uur, kilometers verder.
Je vraagt je af hoe zo’n dag tot een goed einde kwam. Maar de geest moet waaien, en toen we na aanvaarding van de terugtocht de spookbus met een wuivende chauffeuse voor onze neus zagen wegrijden hebben we niet gevloekt, maar zachtjes heel merkwaardig gelachen. Uiteindelijk stopte een overspannen leraar en bracht ons in zijn oude auto naar het dichtstbijzijnde treinstation. We kochten ergens een nieuwe kruik. En in de trein naar Amsterdam dachten we uitgewaaid, opgelucht en inmiddels breed lachend terug aan het Geheime Dorp waar we niet mochten roeien, en toen hoorden we de tegenover ons gezeten reusachtige vrouw tegen haar man zeggen: ‘Dat-ie opschiet: we mott’n de stier nog verzett’n en de koei’n melk’n.’