Radiocolumns

De huilende taxichauffeur

Het wil nog maar niet echt zomeren en door de buien heen laveer ik door de stad, en juist wanneer de openscheurende hemel de zon doorgang verleent, bereik ik het hotel aan het water, het hotel voor kleine geesten met een grote portemonnee. Het glinstert in het zonlicht, als `een enorme fondanttaart die er op wacht in stukjes gesneden te worden', zoals ik ooit iemand hoorde zeggen. Voor de ingang staat Mijn Broer de Portier. Hoewel hij smakelijk kan vertellen over de nukken en grillen van zijn cliëntèle zeggen we daar nooit veel, mijn broer en ik. We kijken en zwijgen. Ook nu staan we vredig op de trappen, terwijl voor ons de belofte van de lente zich een weg zoekt tussen de geparkeerde auto's door, maar vooralsnog niet de trappen van het bordes bestijgt. Door de draaideur komt een op het eerste gezicht handelsreizigerachtig mannetje naar buiten.

'Dat is een ontzettende kruidenier, een echte cententeller,' bromt Mijn Broer de Portier met de kaken op elkaar. Het begrip komt me wat merkwaardig voor aangaande een man die hier, dat moet wel, per dag het maandloon van een gasfitter spendeert (‘spandeert’, zoals Perry P. uit de Utr. Str. zegt), maar wanneer ik ’s mans wimperloze prikoogjes zie begrijp ik wat de Portier bedoelt.

'Taxi, taxi!' breekt het mannetje onze rust in scherven, en weet daarbij deze internationale term een onrustbarend onaangename exotische klank mee te geven. Maar Mijn Broer de Portier knikt beleefd en belt onmiddellijk een taxi. Blijkbaar niet naar tevredenheid van het mannetje, dat driftig wegbeent, geïrriteerde klakgeluidjes met de tong voortbrengend. De Portier legt uit dat de man nu zijn ziekelijke vrouw gaat halen,die slecht ter been is.
'Lastige klant?', vraag ik.
'Mwah,' antwoordt De Portier.

Nog enkele minuten staren we over de `rustieke binnenplaats', zoals de parkeerplaats vol blik in de luxueuze publiciteitsfolders van het hotel heet. Dat blik doet hier zo'n ton per stuk, maar dat maakt het nog niet esthetisch verantwoord, vertel mij wat.

Juist wanneer het mannetje weer de rode loper afdaalt komt de taxi voorgereden. Vanzelfsprekend een keurig gepoetste automobiel met zo te zien een menselijke chauffeur, hij draagt zelfs een stropdas, van leder weliswaar, maar toch. Het mannetje priemt een magere wijsvinger naar de goedmoedig blozende chauffeur, piept `You wait for my wife!', en verdwijnt weer. De chauffeur knikt ons vriendelijk toe en gaat vervolgens bewegingloos voor zich uit zitten kijken. Als het mannetje na vijf minuten, ik weet het zo precies omdat ik toevallig op mijn horloge keek, hoewel het verre van saai is daar in alle rust voor het hotel aan het water, werkelijk waar, nog niet terug is, drukt hij de teller in. Wij registreren het onbewust. Een alleszins redelijk gebaar, dunkt me, er moet brood op de plank, maar Mijn Broer de Portier mompelt: 'Dat wordt heibel zometeen.'

En inderdaad: wanneer het mannetje, nu met een bleke, amechtig hijgende, kromgetrokken schaduw aan de hand, wil instappen, verstijft hij. De zuinige mond gaat open, zuigt zich vol lucht, en perst eruit: 'Seven guilders! Seven guilders!' En het mannetje barst los in een tirade tegen de Nederlandse maatschappij, die uitsluitend bestaat uit kruimeldieven en zakkenvullers, oplichters en ‘taxivarkens’ ('taxipig, taxipig!', roept hij om het andere woord tegen de verbouwereerde chauuffeur, in zijn zelfbedachte Engels), en er uitsluitend op gericht is hem en zijn vrouw een poot uit te draaien. Het mannetje wenst de chauffeur en zijn familie slepende ziekten in afgelegen oorden toe, beticht hem van fascisme en roept dat zijn moeder een 'faggot' is. Dan wendt het zich tot De Portier. Waar deze het lef vandaan haalt om zo'n 'fat,lazy taxipig' te bestellen. De Portier hoort met uitgestreken gelaat toe terwijl het speeksel hem werkelijk om de oren vliegt, en het bestaat hem nog half te buigen en te knikken en te zeggen: 'Een verschrikkelijk misverstand meneer, inderdaad, you're absolutely right, het zal niet weer gebeuren, mijn excuses.' (O Portier, nobele, ondoorgrondelijke, edele ondergrondse, moge je een lang leven beschoren zijn en dat niet je tanden uit je bek geslagen of een maagzweer je stoïcijnse bestaan voortijdig verzuurt.)

Het mannetje sleurt zijn vrouw nu met zich mee en verdwijnt tierend om de hoek. Ik kijk Mijn Broer de Portier aan.
'Wat doe je nou alsdat hufterige ventje vanavond terugkomt?', vraag ik.
'Knipmes', antwoordt hij met een fijne glimlach, 'Buigen en glimlachen en knikken. Na de revolutie in de steenfabriek.'

Inmiddels is de hemel weer dicht getrokken, en er steekt een wind op, maar er is een geluid dat hier niet thuishoort. De taxichauffeur zit, de portieren open, te snikken in zijn stoel, schokschouderend, hoge piepgeluidjes ontsnappen hem. Over zijn wangen glijden dikke tranen. We kijken elkaar aan en lopen naar hem toe en leggen troostend bedoelde handen op zijn arm.
'Ik doe mijn werk, naar eer en geweten', brengt hij uit. Mijn Broer de Portier trekt een flap uit zijn portemonnee. De chauffeurslaat de waterige ogen op.

'Neenee, geen liefdadigheid.' Uit zijn keel gromt een dierlijk geluid. Dan haalt hij zijn neus op, rukt het portier dicht en geeft gas. Op uitgesproken droeve wijze stuurt hij de auto de hoek om waarachter het giftige mannetje verdwenen is. Zijn vochtige, rode kop hangt laag boven het stuur. Nog lange tijd staan De Portier en ik zwijgend naar de bandensporen te kijken.

« Terug