Radiocolumns

De man in de sneeuw

Op straat loopt een man met grote, verbaasde ogen die niets zien maar dwars door je heen kijken. Hij woont in het Grote Kindertehuis voor zuipschuiten, daklozen en onbekwamen voor het leven. Maar overdag huist hij op straat. Hij zou een goedbewaarde vijftiger kunnen zijn, maar evengoed een bloeddoorlopen dertiger.

Dagelijks stond hij flessen bier leeg te drinken, de krant te lezen en te ouwehoeren in de broodjeszaak, en wist daarbij de indruk te wekken een toezichthoudende functie te vervullen.

Op een zonnige middag zag ik hem met twee zakkendragers drinken op de hoek van de Keizersgracht, op een bankje naast een toerist en een zeer verliefd stelletje. Maanden had hij zich goed weten te houden, maar nu was hij een openlijke drinkebroer geworden. Waar hij altijd keurig in het pak had gezeten hing z’n hemd nu tot de navel open. Zijn altijd verzorgde ringbaardje was niet bijgeschoren, en zijn kop was vuurrood en opgeblazen. Hij zat te gillen van het lachen - minutenlang. Zomers geklede passerende meisjes sprak hij vermanend toe, met verstikte lach.

Nu, op deze gure winternacht met storm, sneeuw en hagel, ben ik op weg naar een kennis die achter in deze smalle, kale straat woont. Als ik het grote Kindertehuis passeer waggelt de man, gehuld in een soort cape, de deur uit. Hij slalomt tussen de sneeuwhopen door over het spekgladde spoor dat de auto’s vandaag hebben getrokken. Het piepen van zijn crêpezolen en zijn gierende ademhaling overstemmen de storm.

Van de andere kant nadert een jonge vrouw – de man kan zich ternauwernood aan haar staande houden. Zij is duidelijk uit het goede hout gesneden; in plaats van gillend weg te rennen vat ze hem stevig bij de arm: ‘Meneer!’ Dan zakt hij door z’n knieën voor me op straat. De jongedame en ik wisselen een blik, en na een korte, vage weerzin te hebben overwonnen, pak ik de man onder zijn oksels in hijs hem omhoog. De vrouw brengt zijn jas vanachter in orde, en strijkt de sneeuw er af. De man is onverstaanbaar aan het mompelen, en begint over z’n hele lijf te rillen, wat al snel overgaat in schudden. Ik krijg enorme trek in een borrel van de lucht die hij verspreidt. Waarom blijft hij niet gewoon binnen, vraag ik me af, want inmiddels probeert hij – de hevige schuddingen negerend – zich los te rukken en de straat uit te lopen. Als antwoord openen de massieve deuren van het Grote Kindertehuis zich weer. De dikke, kale eigenaar in hemdsmouwen neemt ons vanonder lage wenkbrauwen peilend op.

‘Opzoute viezerik!’ roept hij dan, werpt een imitatielederen draagtas in onze richting en trekt de deur knallend dicht.

‘Ssssvanmij...,’ brengt de man uit terwijl ik de tas opraap, en gaat bijna weer door de knieën. Enigszins geïrriteerd zuchtend reikt de voornaam geklede jonge vrouw mij de man weer aan en loopt door – toch wat weifelend, lijkt het. We hebben geen woord gewisseld. Nu zij de straat uitloopt, wil de man per se gaan zitten. Poolnachten, huilende wolven en vriesdood trekken aan mijn geestesoog voorbij, en ik vat hem bij zijn revers en spreek hem streng toe: ‘Niet zitten! U moet niet gaan zitten, doorlopen! Die kant op!’, met een hoofdknik de richting naar de Utrechtsestraat aangevend, waar de kroegen, slijterijen en restaurants zijn.

Ik laat hem los, sluit even mijn ogen, en loop dan snel door, glibberend over het ijzelspoor. Voor het huis van mijn kennis kijk ik om en zie de man tegen de pui van het ‘tropisch restaurant’ op de straathoek in een sneeuwhoop zitten. In de oranje lichtcilinders der lanatarens begint heel fijne sneeuw neer te dalen. De jonge vrouw is verderop stil blijven staan en kijkt ook toe. Ik bel aan.

Als ik twee uur later terugloop kaatsen dikke hagelstenen op straat en is de vrouw verdwenen. De man ook. In de uitsparing die zijn billen op de sneeuwhoop hebben gemaakt beginnen kleine putjes te ontstaan.

Nog steeds gaat hij over straat, bergafwaarts, soms hysterisch, lachend end drinkend, soms met de verbaasde hondenblik. Hij herkent me nooit.



 

« Terug