Radiocolumns

De Veroveraar van de Utrechtsestraat

De Veroveraar van de Utrechtsestraat is moe. En dronken. Hij hangt z’n hoofd op tafel. Legt z’n handen, uitgestrekt, op tafel. Zijn café, De Empereur, is het enige dat nog open is op dit uur. En ook hier hebben ze geen bier meer op de tap. Mijn Vriend de Jurist en ik zijn hier voor de eerste keer. De struise, zuchtende blondine achter de bar heet Annie en zegt dat de koude jenever ook op is. Dan maar lauwe, ook goed, zeggen wij, en er staan al twee glazen voor ons.

Eddie Empereur opent traag z’n ogen. Dan brult hij iets onverstaanbaars tegen Anton, de kolossale Creool naast ons, die als twee druppels water lijkt op de zogenaamd doofstomme indiaan uit One flew over the cuckoo’s nest. Hij glimlacht wat in de richting van het dierlijke geluid, maar al snel weer alleen tegen zijn wodka.

Verder is de zaak verlaten, en van de goedmoedige Anton is geen heibel te verwachten. Die komt er toch, want De Veroveraar van de Utrechtsestraat heeft het gemunt op Mijn Vriend de Jurist, en eigenlijk op mij. Als we juist een slokje van de lauwwarme borrel hebben genomen, richt hij zich half op en boert: ‘Als je die borrel niet lekker vindt, krijg je er nog een!’ Voordat de paradox tot ons doordringt hebben we al gestameld: ‘Nee dankuwel hij smaakt weer heerlijk!’ Maar hij blijft het roepen. En als hij ontdekt wat mijn vriend voor de kost doet, roept hij verontwaardigd uit: Jurist, jurist, ach jonge, vertel mijn wat over juriste! Me broer is jurist, me neef is jurist, me moeder is jurist! Mijn tent kejje niet sluite. Wou jij deze tent sluite? Dus jij wilt me café sluite? Weetjewel wie ik ben? De Veroveraar van de Utrechtsestraat noeme ze me. Weet je wat ik dan doe? Ploffer tegen je kop!’ Ter illustratie diept hij een forse hand op uit z’n vettige leren jasje en plaatst z’n wijsvinger tegen mijn slaap. ‘Ze noeme me niet voor niets de Veroveraar! Ik ben altijd gewapend!’

Ontsteld probeer ik: ‘Je hebt de verkeerde voor je, ik ben de jurist hier niet, dat is hij!’, wijzend op mijn Vriend de Jurist die doet of zijn neus bloedt. Hij wil je café sluiten, wil ik er aan toevoegen, maar Eddie empreur is door het dolle heen nu. ‘Blaffer tegen je kop,’ krijst hij uitzinnig, ‘Tent sluite? Plofploflof!’

Ik durf zijn hand in deze eeuwigheid niet weg te halen uit angst dat die plotseling afgaat.

‘Toe nou Eddie,’ smeekt Annie, ‘Die jonges benne hier voor ’t eerst. Die komme uit een heel andere cultuurwereld. Ga toch lekker slape, bove.’ Anton, de kolos, de doofstomme, maakt bezewerende gebaren over de halflege glazen. Ze zijn al weer vol.

En eindelijk trekt de Veroveraar van de Utrechtsestraat zijn hand terug, om ogenblikkelijk in slaap te vallen.

‘Ik zou nu maar weggaan, jonges,’ bromt Anton met een schuine blik op de ronkende Eddie Empereur. Die echter ineens weer blijkt te leven, want hij roept: ‘Met jou heb ik ook nog een appeltje te schillen, bolle!Zeg dat je me vriend benmt of ik schiet je kop er af! Ben je me vriend?’
‘Ja Eddie,’ zucht Anton. Dan wordt de Veroveraar sentimenteel, tranen vullen zijn ogen en hij begint over Het Verleden.
‘We hebbe veel meegemaakt, Anton, vriend...’

Wij glippen de deur uit, de nachtelijke vrijheid in.

De volgende ochtend priemt de vinger van de Veroveraar nog een witte plek in mijn slaap.

« Terug