Radiocolumns
De weekendzuiper
1996
Mijn leven als pompbediende werd slechts opgefleurd door de Weekendzuiper. Dromend van een grootsch en meeslepend leven rook ik hem, halfbewust, nog voor ik hem zag: de vertrouwde geur van een forse kegel walmde dwars door de dieseldampen. Toen plotseling dat rafelige hoofd op kinderhoogte voor de balie, zijn grauwe inrichtingsgrijns in levensgevaarlijke close-up.
'Z-zo, vrije ondernemer!' sprak het hoofd. Het verspreidde een werkelijk zeer straffe lucht, en de ogen rolden vrijelijk door de kassen. 'Heb je een biertje voor me?' boerde het, onverstoorbaar voortwiegend, terwijl knappende geluidjes aan de nekwervels ontstegen. Als om iets te controleren keek ik over mijn schouder naar de rijkelijk gevulde koelkast, en antwoordde, als betrof het een idioot verzoek: 'Nou, dat is misschien niet zo verstandig, een biertje...'
Heel even maar vernauwden de rollende ogen zich, om meteen weer hun waterige volheid terug te krijgen. Opeens een uitgestoken hand.
'Ik ben Frans.' Ik was zo goed niet of ik drukte de hand en zuchtte mijn naam. De hele dag geen klant en nu deze tor. Het hoofd van de Weekendzuiper zoog zich vol lucht en verhief zich. Er bleek een lichaam bij te horen: hij moest op z'n knieën tegen de toonbank hebben zitten leunen nadat hij op handen en voeten naar binnen was gekropen, terwijl ik zat te dromen. Zo klein was hij niet, zag ik nu, zijn pak was - hoewel enigszins verfomfaaid - onmiskenbaar van goede kwaliteit en snit.
Zijn tong in bedwang trachtend te houden legde hij uit.
'Ik ben dus Frans. Iedereen kent me hier. Lekker belangrijke baan, verantwoordelijkheid, plichtsbetrachting, commercieel denken, jij noemt 't ik doe 't. Maar ik moet ook ideeën opdoen, creativiteit weetjewel, en daarom kom ik soms hier een biertje drinken.'
'Wat doet u dan voor de kost?' wilde ik weten.
'Eerst een biertje,' riposteerde hij ogenblikkelijk pienter. Hij graaide een hand kleingeld uit zijn zak en wierp die tussen de blikken motorolie. Toen schoof het hoofd in een plechtige plooi. 'Ik zit,' ademde hij diep, 'in de Reclame', met een hoofdletter. 'Drukdrukdrukdruk en altijd dingen bedenken, innoveren, kwestie van inductie en deductie. Ik heb fantastische ideeën. Altijd al gehad.'
'Is dat zo,' sprak ik weifelachtig.
'Ja,' hijgde de Weekendzuiper, 'Fantastische ideeën!' En gedragen vervolgde hij: 'Ik.. ga... de seizoenen... combineren... tot... een Brug naar Wijsheid!'
Hij had zijn biertje verdiend, besloot ik.
Die gehele dag bleef de Weekendzuiper op een krukje naast de balie zitten drinken. En vertellen. Zijn moeizame huwelijk, de heupflaconnetjes in zijn bureaulades, en vooral zijn Plannen: de seizoenen combineren tot een brug naar wijsheid. Mooi, nobel, en hij heeft het me tot in detail zeer aannemelijk uit de doeken gedaan, maar helaas is het mij niet gegeven het te reproduceren.
Na lange werkweken begon ik uit te zien naar de komst van de Weekendzuiper, Man van Drank, die met zijn alcoholische oerkracht de hologige anonimiteit en bijna tastbare grauwheid tussen de van ellende topzware flats in deze vale buitenwijk van Amsterdam ontsteeg. Die, zich op zijn krukje nuchter drinkend, toostte op mannelijke klanten en de vrouwelijke complimenteuze, maar nooit schuine opmerkingen toeriep, en soms andersom. Waarop de cliëntèle mij, met die ongebreidelde behoefte aan blikken van verstandhouding die de middenstand maar eigenlijk het gehele beroepsleven zo kenmerkt, wijselijk glimlachend aankeek: ja, ze kenden hem wel, de Weekendzuiper.
En elk weekend legde hij me weer uit hoe hij, ooit, de seizoenen combineren zou, tot een brug naar wijsheid. En hoewel hij goed gekleed bleef gaan, vielen zijn wangen in en verkleurde zijn huid perkament, met een vermoeden van levercirrose. En op een dag bleef de Weekendzuiper weg - om niet meer terug te komen.
Pas jaren later - pompbediende was ik al lang niet meer - zag ik hem weer, mijn Vriend de Weekendzuiper, op een kraakheldere voorjaarsdag in de stad, terwijl hij met een platinablonde bontjas een warenhuis uit kwam schrijden - anders kan ik het niet noemen. Hij zag er patent uit: als vanouds soepel in het pak, en op z'n wangen zelfs een lichte blos. Maar er schrijnde iets.
Ik volgde het stel met mijn blik tot ze een steegje insloegen. Eigenlijk zag hij er helemaal niet zo puik uit: als er een dronkemanslach over een van de lenteterrassen schalde, als er gerinkel van glaswerk klonk, kwam er iets in zijn blik wat ik niet niet van hem kende, en schoten zijn ogen schuw om zich heen. Ik zag hem even huiveren onder zijn kashmir jas toen ergens 'Proost!' werd geroepen. Maar de bontjas trok hem kordaat voort langs de verlokkingen.
Ik heb hem niet gegroet, mijn Vriend de Weekendzuiper. Zoals hij daar ging, zondagskind aan de arm voortgetrokken, angsthazerig onder de niets verhullende lentezon. Geen schim meer van de man die de seizoenen zou combineren tot een brug naar wijsheid.