Radiocolumns
De wonderen de wereld uit
23 november 1995
Luisteraars, een goedenmiddag, of wat is het eigenlijk, borreluur.
De wonderen zijn de wereld inmiddels wel uit, al kan het natuurlijk nooit kwaad te blijven hopen. Gelijke tred houdend met de kalende stadsbomen, worden ook degenen die er ronddolen - ieder op weg naar eigen inzicht - tot hun essentie teruggebracht. Dergelijke sterk tot mijn eigen, aangeschoten verbeelding sprekende vergelijkingen mompelend, vond ik mijzelf gisteravond terug, op een duister pad dat nog slechts verlicht werd door het verschrikkelijk soort onroze dat als zieke ballonnen uit de etalages der seksualiteitswinkels puilde, de aan- en uitfloepende lampjes der gokkasten en de in vuilgeel uitgevoerde, wervend bedoelde en in die functie op een merkwaardige manier slagende culinaire fotografie op de gevel van een snakber, waarop slechts de kartonnen kroketten herkenbaar waren – alles omdat ik, na de voetbalwedstrijd met een juichend rood-wit hart, en bier en frikandellentaart op, de dwingende gedachte kreeg dat een zak drop wel zou smaken.
Soms zie ik mezelf als 'eigentijds cunschtenmaecker', en neem me voor uitvoerig studie te maken van dergelijke fenomenen, teneinde de mensen een boodschap te zenden om te behouden in de duistere maanden die weer voor ons liggen, maar die hang naar de zelfkant, geloof me nou: niets dan gebakken lucht. Koket gefröbel, onkunde en onbenul, dat 'is de wind die zucht en blaast door de mensen', daar ben ik inmiddels wel achter.
De drop met twee handen naar binnen werkend begaf ik me weer naar huis, terwijl achter mijn rug een schermutseling uitbrak en iemand onverstoorbaar en steeds luider doorging te vragen hoe lang een Chinees was. De indruk dat het einde der tijden nu toch wel op handen was met moeite onderdrukkend ging ik voort, door de over de gehele binnenstad hangende walm van pepernoten, denkend: wat maakt het allemaal uit, ik ben toch artist, maar met afnemende overtuiging. Ook dit: allemaal gelul – excusez le mot. Want lonkte niet de roep van het platteland, de grazige weide, de rust, het uitzicht en het inzicht, het schrijven van streekromans met vrouw en kind aan mijn zij? Inmiddels licht oprispend, meer van mijn gedachten dan van de drop, kwam ik thuis, ervoer een soort Aha-Erlebnis ('déjà-bu') terwijl ik in het tollende bed dook toen dat toevallig langs leek te komen, en viel in een droomloze slaap – waar weinig rechtvaardigs aan was – om tegen het ochtendgloren gewekt te worden door twee in hemelsblauwe overalls gestoken kerels met een buitenmodel stofzuigerslurf, waarmee ze herfstbladeren de gracht in bliezen, en die mijn wantrouwende blikken vanachter de gordijnen beantwoordden met een steels naar binnen gluren in mijn trouwe woonschuit, stee en toeverlaat de Hoop en Liefde, als was ík niet helemaal kosjer.
Toegegeven: allemaal onverkwikkelijke non-gebeurtenissen die evengoed niet geboekstaafd hadden kunnen worden, ware het niet dat mijn nobele gedachte was iets, iemand, u desnoods, mezelf, een hart onder de riem te steken. Maar zoals altijd eindigt het er weer mee dat ik u met een enigszins opgelucht gemoed, maar nog steeds walgend, niet in de laatste plaats van mezelf, maar eerlijk gezegd ook wel een klein beetje van u, de oprecht gemeende groeten doe vanuit dit zweetkamertje aan de S-gracht. Een goedenavond.