Radiocolumns
Een eigen huisch
3 november 1994
Ik loop langs het glimlachende water van de Amstel en bezie de witgepleisterde gevels in de herfstzon. En plotseling zie ik mezelf weer het sombere trappenhuis doorlopen, achter een van die verneukeratieve puien.
Ik was student, vers aangekomen in de stad, en huisde bij kennissen in opkamertjes op doorgelegen, smoezelige matrassen, die ze me ter beschikking stelden tot het steeds sneller komende ogenblik dat ze genoeg hadden van mijn wurgende en veelal beschonken aanwezigheid in hun toch al grauwe en te krappe woningen, want toen was er nog romantiek en een café waar een fluitje een gulden vijfenvijftig kostte, waar ik tot sluitingstijd mijn zogenoemde basisbeurs opmaakte, om de kennissen vervolgens zingend kond te doen van weer een dag uit het vruchtbare leven van deze student. Het werd duidelijk dat ik een eigen huis moest krijgen, anders zou ik binnenkort nergens meer terecht kunnen.
Hartelijk had ik moeten lachen om de verhalen van woningzoekenden die reageerden op advertenties in 's lands grootste ochtendkrant, om, bij de vermeende beschikbare woonruimte aangekomen, slechts horden verdwaasd ogende medestumpers aan te treffen, terwijl op langdurig bellen en deurbeuken niet werd gereageerd, maar op de eerste verdieping een schim achter de vitrages stond te onaneren. Ja, onze lieve heer heeft merkwaardige kostgangers.
Vandaar dat ik besloot de zaken geheel anders aan te pakken, en het volk als het ware rechtstreeks te benaderen. Daartoe vervoegde ik mij in de middag in de talrijke drankgelegenheden in de wijken waar ik mijn nieuwe huis wilde betrekken, en informeerde onder het uitdelen van bier aan de zurig ruikende stamgasten naar lege woningen. Na enkele dagen had ik beet, ergens in de Utrechtsestraat. Een dikke man wenkte me, schreef iets op een bierviltje en overhandigde het me. Er stond: 'Chez Annie', Thorbeckeplein, 7 uur.'
'Zeg maar dat Appie je gestuurd heb,' zei de man.
Hoewel dat Thorbeckeplein mij een gezellig oord leek met al die lichtjes, keek ik wel even verbaasd op toen ik mij klokslag zeven uur aan de deur van Chez Annie vervoegde en, nadat ik de nurkse portier verzekerde dat ik Annie moest spreken, en vervolgens onder luid gejoel welkom werd geheten door een half dozijn half ontklede dames. Zonder mij van de wijs te laten brengen wandelde ik recht door naar het einde van de lange, wat protserige toog, waar een dikke matrone op een kruk zat, aan wie mijn verschijnen geheel voorbij leek te zijn gegaan. Ik kuchte bedeesd, tikte haar op de schouder en vroeg: 'Eh... Bent u Annie?' En met een doorrookte, Ome-Joop-achtige whiskeystem blafte ze me toe: 'Wat is er joh?' terwijl ze zich moeizaam omdraaide, waarbij de complete inhoud van een zeer exotische parfumerie vrijkwam. Ik legde uit dat Appie me gestuurd had en dat ik woonruimte zocht.
'Appie? Ik ken geen Appie.' Annie nam me van top tot teen op, wenkte toen een van de meisjes aan de bar en fluisterde haar iets in het oor. Het meisje schoot een bontjasje aan en troonde me mee naar buiten. Ze gaf me een hand. Waar we heen gingen, durfde ik te vragen, maar uit het in een soort zelfbedacht Duits gemompelde antwoord kon ik weinig wijs, behalve dat ze geen zin in conversatie had. Wel kneep ze stevig in mijn hand.
We liepen naar de Amstel, en het meisje opende met een sleutel van een zeker dertig exemplaren tellende bos de toegangspoort tot een der witgekalkte panden. Ik begreep dat ik hier een kamer kon huren, met alles er op en er aan, douche, toilet, warm en koud stromend water, elektriciteit, noem maar op. Toen ik opmerkte dat die bordkartonnen wandjes wel erg gehorig zouden zijn, maakte het meisje duidelijk dat dit moderne woningbouw was. 'Is modern. Gutt,' verstond ik tenminste. En we keerden terug naar Chez Annie.
'En, wat vond je der van, moppie,' informeerde Annie, inmiddels duidelijk goedgeluimd tronend achter een pontificaal cocktailglas. Ik vroeg haar de prijs, maar die ging mijn basisbeurs te boven. 'Ik wil wel honderd zakken schatje,' zei Annie nog, maar ik kreeg het plotseling spaans benauwd en besloot ter plekke nog maar even bij de kennissen te blijven logeren. En ik maakte een struikelende aftocht uit Chez Annie, onder applaus van de dames, die me nariepen toch vooral nog eens langs te komen.
En hier sta ik nu voor die witte gevel in een late gouden herfstgloed, en op eenhoog zie ik even de gordijnen bewegen, maar wens me niet af te vragen wie of wat en waarom, en ik keer op mijn schreden terug, naar mijn huis op het water dat ik al zo lang naar volle tevredenheid bewoon.