Radiocolumns
Eindejaarsziekte 2
7 december 1995
Luisteraars, een goedenavond, of wat is het eigenlijk, borreluur.
Het leven was een lichtflits tussen twee eeuwigheden duisternis, de vrieskou trok me in de botten en het einde was nog niet in zicht; kortom: wederom sloeg de Eindejaarsziekte met onverbiddelijke kracht toe.
Hinkend op meer dan twee kommervolle gedachten dwaal ik door de straten, omdat een cunschtenaer moet lijden, totdat ik besef dat ook dit voorbij zal gaan en ik dus evengoed de troost van een warm café kan zoeken, maakt niet uit van welke aard, zolang er maar een kachel ronkt en er, zoals dat in sommige - niet de beste - kringen heet, goudgele pretcilinders worden geserveerd.
Een aangename, tijdloze gloed verspreidt zich al snel door mijn lichaam - en laat ook de ziel niet onberoerd. Ach. Kon ik hier maar tot het einde der donkere dagen blijven zitten, terwijl buiten de storm gierde en de wolven huilden, stad en mens gehuld werden in cocons van stuifsneeuw, dat ik me liet vollopen dus temidden van deze eenvoudige, stuk voor stuk goudeerlijke handwerkslieden, rijkelijk behangen met verguld hang- en sluitwerk, maar met harten van eerlijk 24-karaats goud. Ja luisteraars, winter verbroedert.
Dan ontwaar ik in het vlekkerige licht verderop een heus biljart, niet een van die treurig stemmende, in modern onrood of -blauw uitgevoerde pool - of snookertafels, maar een robuust, oud wedstrijdbiljart met een laken van verschoten groen en gemankeerde tellers op de banden. Door de atmosferische omstandigheden en de drank word ik bevangen van een oud gevoel, voornamelijk vormgegeven door verschraald bier, sigarettenrook en urenlang biljarten. Een bejaarde op witplastieken bordeelsluipers, waarboven hij, vreemd genoeg, een tropenpak draagt, reden hem in gedachten De Padvinder te dopen, waagt af en toe een stoot en trekt zich dan weer terug aan de bar, waar hij wat boers om zich heen kijkend gaat staan nippen van een groot glas jus d'orange, een kromme, obsceen roze pink in de lucht.
'Sudderrans,' zegt hij, bij elke bestelling. Zijn niet door enig inzicht gehinderde stootkunst getuigt van weinig inspiratie. Zo niet dat van zijn tegenpartij: telkens als de man zijn plaats op of naast de kunstlederen barkruk weer heeft ingenomen, verheft zich krakend een wezen dat qua uiterlijk het midden houdt tussen man en vrouw, maar vermoedelijk iets heel anders is, bijvoorbeeld een - na ontvoering door seksueel experimenterende ufopiloten - tweeslachtig of onzijdig geworden dinges, waarover men heden ten dag zo veel leest - in elk geval is niet duidelijk of de stoel zo kraakt dan wel het wezen. Biljarten leer je er niet van, zo veel wordt snel duidelijk.
Het gebromde commentaar, terwijl het in de goedkope spijkerbroek geschoenlepelde figuur zich met tegen elkaar schurende dikke dijen, wat een zacht maar indiscreet schuierend geluid voortbrengt, langs het biljart beweegt, het rommelige permanentje wapperend onder de buitenformaat ventilator - die hier, midden winter, geen overbodige luxe is gezien het rookgedrag van de cliëntèle -, de framboosneus boven het tussen de dunne lippen bungelende sjekkie een gloeiend baken in het halfduister, wijst echter wel op een diep gevoeld, zij het enigszins onorthodox enthousiasme voor het spel. Een klein keffertje weet telkens maar net het vege lijf te redden Het wezen draagt kopstootjes met zich mee, die telkens op bar of tafel worden geplaatst en in angstwekkend tempo worden geleegd.
Juist als mijn oude gevoel omslaat in een eeuwenoude angst, culminerend in de vrees hier werkelijk te moeten overwinteren, zie ik dat zich langzaam, heel langzaam, een grote, donkere plek begint af te tekenen op de kolossale kont van het wezen. Met een onmiskenbaar soppend geluid laat het zich vervolgens neer op een barkruk. Ik spied omzichtig om me heen, maar schijn de enige stille getuige te zijn van dit incontinentieleed waarvan zovelen te lijden heten te hebben. Old Shatterhand staat onverstoorbaar op de uitkijk aan de bar.
En dan, plotseling, haarscherp: hoe het onooglijk kleine, kefferige hondje met roze strik, dat voortdurend kriskras door het café loopt, snuffelend, hoog piepend, even slechts betrekkelijke rust vindend bij het merkwaardige wezen, zijn rusteloze tocht door de ruimte voortzet, en bij een struise biljartpoot tot stilstand komt, even om zich heen lijkt te kijken, en dan het linkerachterpootje optilt tegen de tafel. De vergenoegde zuchten van het dier zijn welhaast hoorbaar, en ik meen zelfs een tevreden glimlach om de dunne hondenlippen waar te nemen terwijl zich langzaam een plas vormt onder het biljart.
En terwijl de natte plek op de kont van zijn baas of bazin steeds grotesker proporties begon aan te nemen, herhaalde het hondje dit rituele piesen tot alle vier de poten van het biljart aan bod waren geweest. En of dit nu gebruik was, luisteraars, of niet: de snerpende koude buiten leek mij plotseling verre te prefereren boven de allengs muffer wordende atmosfeer binnen, en eindejaarsgevoelens of niet, ik begon te vrezen getuige te zijn geweest van iets gruwelijks groots en onbekends, een Verschrikkelijke Symmetrie tussen mens en viervoeter, een lugubere territoriumdrift, die een betekenis moest hebben, of krijgen, ooit, maar voorlopig niet, hoopte ik, en snel rekende ik af en stapte de ijskoude stad weer in, in de wetenschap die eigenlijk hoop is dat het altijd erger kan en ooit voorbij zal gaan.
Ik groet u vriendelijk. Een goedenavond.