Radiocolumns

Geelmans zwijgen

14 september 1995

Luisteraars, een goedenavond, of wat is het eigenlijk, borreluur.

Vandaag ontaardden bezoeken aan twee Amsterdamse middenstanders - de Topdrogister hier om de hoek, naar zijn uit de Pietje Bel-reeks bekende collega Jozef Geelman genoemd, en de broodjeszaakuitbater op de andere hoek, De Hork, in een vergelijkend onderzoek, met als voorlopige conclusie dat onze gebrekkige mensentaal altijd weer een treffende metafoor is van het menselijk tekort in het algemeen, niet ondanks maar mede dankzij de pogingen van deze kleine luyden dit tekort, ieder op geheel eigen wijze, aan te vullen.

Topdrogister Geelman, op cursus tijdens de Internationale Drogistersconferentie vernomen hebbend dat de cliëntèle gepaaid dient te worden met gratuite 'herkenning', lijdt of heeft geleden aan bijkans elke denkbare kwaal waarmee men zijn nering betreedt. Door de jaren heen heeft hij me in vele holle bewoordingen deelgenoot gemaakt van zijn uiteenlopende klachten en de, naar mijn vaste overtuiging, slechts zeer gedeeltelijke genezing daarvan. Waar ik naar informeer, heeft hij ervaring mee, wat ik bestel, gebruikt hij 'toevallig' zelf net ook.

'Meneer, het klinkt misschien gek, maar ik heb er zelf ook last van gehad, maar nu heb ik deze zuiver natuurlijke balsem, echt een zeer mooi product, uit de regenwouden van Beneveld Mongolië, en sinds ik daar drie maal daags mijn oren mee aanstip is het over.'

Slechts een moreel dilemma heeft deze moderne drogist: hoe de verkoop te rechtvaardigen van waren waarmee men zelf geen 'affiniteit' heeft, zoals dat tegenwoordig heet? Bij de aanschaf van condooms begon Geelman over scheefgetrokken prijs-kwaliteit en prijs-kwantiteitverhoudingen, het kwam er in elk geval op neer dat ik beter voor f 16,50 dan voor f 8,25 kon inkopen, maar het stilzwijgen in alle talen over eigen ervaring met, of eventueel afkeer van het product, was oorverdovend - hoe intiem de vertrouwensband tussen klant en drogist inmiddels ook was, opgebouwd gedurende de ontelbare, gemiddeld tien keer langer dan elders durende consulten aangaande verstuikte enkels, splinters en transpiratievocht, waarmee de man zelf immer ervaring had.

Onverklaarbaar, Geelmans zwijgen; een zonde tegen inborst en werkopvatting. Ook stilte uit piëteitsoverwegingen deed af als verklaring, want met de condooms in de hand besprak hij uitgebreid de weersgesteldheid, zijn analyses en verwachtingen onderstrepend met illustratieve armgebaren, het pakje als Meteorologische Meetapparatuur in de lucht houdend. En plotseling begon in mij de vreselijke, mededogende angst post te vatten dat deze zwoegende middenstander zich niet voort kon planten, of zelfs in het Geheel geen Pik had. Ja luisteraars, het klinkt misschien raar, maar dat was nu míjn morele dilemma: hoe inzicht te verkrijgen in Geelmans herengulp, zonder deze zelf open te hoeven ritsen? Met zijn niet aflatende woordenstroom groeide mijn besef van onvermogen daadwerkelijk nader tot de kern van de zaak te kunnen geraken. Dit natuurlijk slechts bij wijze van spreken, vanzelfsprekend bedoel ik: wie kan ooit écht een ander kennen? Of kunnen natuurlijk, dat kan ook. Woorden schoten in elk geval tekort, en snel keerde ik huiswaarts, me rillerig herinnerend hoe Geelman, toen ik met het zoontje van mijn verloofde een zak drop bij hem bestelde en me daarbij een onschuldig grapje meende te moeten permitteren, zich samenzweerderig naar de jongen vooroverboog, en zwanger van misplaatste amicaliteit zei: 'Ha. Ha. Gekke papa'. De blik die de jongen met toen toevoegde achtervolgt me nog wel eens in dromen.

Des avonds bezocht ik de broodjeszaak va De Hork, middenstander met Moreel noch Dilemma, zo gedoopt omdat ik na het verlaten van zijn inrichting pleeg te verzuchten: 'Wat een hórk van een vent!', omdat hij elke bestelling, altijd, maar dan ook altijd, onmiddellijk laat volgen door de verzuchting: 'Voordat ik de tent sluit', 'Voordat ik naar het voetballe gaan kijke', of gewoon 'Vooruit dan maar. Nog snel effe.' De Hork heeft nog nooit tegenover welke klant dan ook maar de indruk gewekt met een woord te willen reppen over zijn persoonlijke besognes, laat staan ongevraagd vertrouwelijk en zogenaamd onschuldig diens intellectuele capaciteiten in twijfels getrokken ten overstaan van minderjarigen, of langs zijn neus weg opgemerkt dat hij het bestelde zelf 'ook altijd' neemt.

Toen ging de telefoon, De Hork sjokte naar het toestel, nam op en noemde de naam van zijn broodjeszaak.

‘Ja...´
‘Dankjewel.´
‘Nee... Nee hoor. Neeneenee... niet langskomme.´
‘Nee...´
‘Ja hoor.´
‘Nou... stropdas of een paar sokke.´
‘Ja dag hoor.´

Ook De Hork is ooit geboren, luisteraars, en vandaag bleek hij te verjaren. Fluisterend heb ik hem geluk gewenst en ben de deur uitgeslopen, overweldigd door het Wittgensteiniaanse ´waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen´, volgens welk principe De Hork zich staande houdt in zijn universum van broodjes kroket. En mijn gedachten gingen uit naar Geelman de Topdrogister en diens ´waarover men niet zwijgen kan, daarover moet men spreken´, en besefte dat iedereen ook maar doet wat-ie kan en moet, en dat het allemaal niemands schuld is.

En toch, toen, eenmaal buiten, een medebroodjeszaakbezoeker aanmoedigende armgebaren begon te maken onder het uitstoten van de woorden 'Zeg 't dan! Zég 't dan!', toen heb ik het weer, bevrijdend, door de Amsterdamse nacht geschald: 'Wat een hórk van een vent!' - zelf niet goed wetend wie ik bedoelde, de zowat in zijn eigen woordenbrij stikkende Topdrogister Geelman of de zwijgend jarige Hork, die mij eigenlijk zo oneindig veel sympathieker was, dan wel de God die ze bedacht en uitgevoerd had.

Luisteraars, zal ik u eens wat zeggen? Het maakt allemaal niks uit. Ik wens u nog een plezierige avond.

« Terug