Radiocolumns

Het KoosvanZomeren-gevoel

13 april 1995

Het Koos-van-Zomerengevoel heeft zich weer in volle glorie aan mij meegedeeld, muggen dartelen al in de geur van gesmolten asfalt door de voorjaarsavond en ik heb zowaar een gedicht van Chris J. van Geel gelezen, kortom, luisteraars: heden Berichten uit het Dierenrijk.

Het kleine leed en de kleine poëzie: de talrijke watervogels die de gracht rondom mijn trouwe woonschip, de onvolprezen Hoop en Liefde, bevolken: velerlei eenden, futen, meerkoeten, een enkele wrede aalscholver, en vooral vele, vele waterhoentjes. Gedurende de korte zomernachten een kwelling, de goddeloze uren zoekbrengend met het kwelen van luidkeelse verwensingen over het verder stille water, maar anderszins een bron van inspiratie en vreugde. Naar goed Hollands gebruik bevind ik mij, zodra de meteorologische gesteldheid dat maar enigszins toelaat, tussen wal en schip: nippend van een glas wijn, is het nergens beter toeven dan op mijn getimmerde terras onder straatniveau.

Gisteravond ontdekte ik onder het terras een oud vlotje, waarop twee waterbewoners zich een nest hadden gebouwd van lege melkpakken, takken, brokken piepschuim, sigarettenpakjes, chocoladewikkels en papierresten. Toen het broedende wijfje zich even verhief, zag ik zes prachtig witte eieren schemeren in het drakerige nest. Nou ben ik misschien een hork van een vent luisteraars, maar dat raakt me dan weer. De biologie van het bestaan, de evolutie, gapende raadselen zijn het me, die er in de loop der jaren niet minder fascinerend op worden. Las ik ooit dat de taak van de mens erin gelegen is zich, ieder vanzelfsprekend op zijn eigen niveau, te ontwikkelen van natuurdriftig tot geestdriftig wezen, intussen is het me, vanaf mijn achterplecht het leven der watervogels gadeslaand, duidelijk geworden dat ook dit ijdelheid is.

Binnenkort kan ik ze tellen, de kleine waterhoentjes die achter hun ouwelui aan door de gracht gaan, uitwijkend voor de plezierjachten en rondvaartboten, algen pikkend van de kademuren. Oudbakken brood, door lusteloze WAO'ers te water gelaten, zal zijn weg naar de hongerige vogelbuiken weer vinden. Allengs zal ik er minder tellen, waterpiraten zullen hun verwoestende werk doen en slechts de sterksten zullen overleven, in deze moderne natuur, met haar wetten van de stadsjungle.

Het Koos-van-Zomerengevoel is inmiddels wreed verstoord. Bij de doodsberichten in de krant stond dat niemand een program krijgt van het concert des levens, en daaronder dat het hart van mijn oude werkgever, Piet, ‘zo heette hij dan’, het na een leven van drukdrukdruk en rennen had begeven. Hoewel zijn werkzaamheden nauwelijks met menselijk leven te verenigen vielen – hij zou God zelf nog voor een kwartje onzin hebben verkocht – ben ik geraakt door zijn vroege verscheiden. En zo vaak als ik hem tijdens mijn dienstverband in de middenstand vervloekte, zo oprecht denk ik nu: toch een Goede Peer. Nou ja, te laat. Geld verdienen en daar later van genieten, dat was zijn levensdoel, maar hij kwam slechts halverwege en dus nergens, bepaald nog niet geëvolueerd tot ‘geestdriftig wezen’. Ook te laat. Nou zie je wat er van komt, Piet. Het moderne leven in de jungle die Amsterdam heet. Bij gebrek aan een kanarievogel zal ik alle zes jonge waterhoentjes naar je vernoemen.

« Terug