Radiocolumns
Hotelbar
1995
Luisteraars, een goedenavond, of wat is het eigenlijk: borreluur - dat vagevuurachtige niemandsland van de tijd dat zich uitstrekt van rond het middaguur tot middernacht, zonder ooit werkelijk te beginnen of af te lopen. Waar de ronkende roep van de drank klinkt langs de talloze troostvolle togen van de stad, en de universele alcoholische verbroedering een aanvang neemt. Kroegen zonder getal waar de tijd stilstaat, dranklokalen waar het serieuzere hijsen een race tegen de klok wordt, gelegenheden waar minuten uren duren, de drank nooit op raakt en waar men tot onwel wordens toe moet luisteren naar onverklaarbaar geraaskal: alle dienen zij een doel.
Soms bezoek ik zo’n etablissement, en ‘wee hem die vraagt waarom’. Bij het verlaten houden ze op te bestaan, sterker nog: zijn ze er nooit geweest, ontheven aan eenvoudige natuurwetten aangaande tijd en ruimte. Uitgestapt bevind je je in dezelfde positie als voor betreding: onveranderlijk op de stoep, in het daglicht van een vergeelde foto om kwart voor drie ‘s middags. Je weet dat er iets veranderd is, dat je ergens geweest bent (een kwartier, een uur, een dag, een jaargetijde - schichtige blikken op de boomtoppen om de stand van het lover op te nemen), maar je kunt er niet de vinger op leggen. Vooral op dagen als deze, na cafébezoek als het voorafgaande, zou je zo nog gaan denken dat de kunst inderdaad op straat ligt. Hotelbars, die weten wat.
Aan het begin van de middag - drinken in hotelbars dient vroeg in de middag of zeer laat des nachts te geschieden - liep ik de trappen af en stond plotseling in een film waarvan geluid en licht niet klopten. Het wuiven der boomkruinen in die betekenisloze straat, het gebaren der voorbijgangers, het voorbijglijden der auto’s, alles vond tegelijk enigszins hortend en kalm vloeiend plaats, als een tafereel onder een stroboscoop, terwijl absolute stilte en flarden ongearticuleerd geluid elkaar afwisselden, wollig, van zeer ver. Maar achter mijn ogen schaterde en schetterde het katerkaboutertje, en ook de stramheid in mijn ledematen kwam me akelig bekend voor. Opdringerig zweefde steeds een oningevuld silhouet op mijn netvlies, maar wat het was wist ik niet. Niets, maar dan ook niets, leek veranderd: de zon hing nog even hoog in de lucht, een meisje stond nog steeds haar fiets vast te maken. Er drong zich een beeld op, maar ik begreep niet wat het was, dus het ‘zou wel met kunst te maken hebben’, sprak ik jolig tot mijn lucide alcoholgeest. Toen ging achter me de deur open, en herkende ik het beeld. Het standbeeld eigenlijk. En ik herinnerde me alles weer.
Ik had tussen mannen aan de toog gezeten, mannen met zegelringen en enorme koppen, die, naarmate de inname vorderde, dichter tegen elkaar aan kwamen hangen, rotsblokken boven een ravijn, zuchtend en steunend nippend, gierend van het lachen een conversatie voerend die nog uitsluitend bestond uit: ‘Dus ik zeg tegen Jantje, zeg ik, Jantje, dat weetjezellefookwel, dat zeg ik net tegen Dinges hiero ook, trounes Dinges weettetzellefookwel, weetjewattetis, geloof mij nou maar...!’ Tot ze niet meer konden, en nog slechts met gierende stembanden, in onuitsprekelijke verbazing met wijd openhangende monden, de neuzen bijna tegen elkaar, bleven zitten, versteend.
Ik had daar gezeten, en als vanzelf oog gekregen voor het kleine leed dat zich enkele meters verder afspeelde. Voorafgegaan door een paar Hell’s Angels, een verdwaalde beschonken toerist en enkele hotelgasten, betrad een door niemand opgemerkt, onooglijk trolletje dit voorgeborchte. Het had een soort radar, trilde en zoemde en draaide met het hoofd. En als een roofvogel spotte het toen een zeer dronken, zeer verlaten meisje aan een wandtafeltje. Zeer snel spiedde het trolletje om zich heen en begaf zich toen, zo snel zijn korte beentjes hem konden dragen, in haar richting. Niets aan de hand, zei zijn gelaatsuitdrukking, ik zou wel gewoon naar de wc kunnen gaan of zo. Maar van achter het halfslapende meisje omvaamden zijn mollige armpjes haar razendsnel, tijdens welke handeling hij haar terdege in de borsten kneep, en het hoofdje met een verheerlijkte uitdrukking in haar haren liet rusten. Zijn handjes konden elkaar niet raken.
Snel liep hij toen door naar de toog, bestelde een biertje, goot het achterover en verliet de zaak. Alles had zich letterlijk en passant afgespeeld, en het meisje zat er nog als tevoren. Maar het standbeeld dat ze daar getweeën hadden gevormd stond op mijn netvlies geëtst.
En nu stond ik buiten en ik wist weer waar ik geweest was, en de stille getuigen kwamen naar buiten: eerst de twee, elkaar nu zacht vloekend ondersteunende mannen, en toen het meisje. Terwijl de stad voor me langzaam weer haar vertrouwde contouren terugkreeg, stond zij daar verdwaasd rond te kijken en haar kleding te herschikken. Ik hoorde een klok luiden. En ik dacht bij mezelf verdomd, de kunst ligt op straat, en ik wenste het meisje goedendag toen ze begon te lopen, waarbij me opviel dat haar gang inderdaad dat strammige, als van beelden had.