Radiocolumns

Jeugd in de Pijp

2 maart 1995

Luisteraars, een goedenavond.

Ik zit te lezen in Jeugd in de Pijp ((uit de tijd dat boektitels nog betekenis hadden) van Piet Bakker (van toen schrijvers nog gewone mensennamen hadden). En ik moet denken aan de dagen die ik sleet in de Beurspassage, een keurige naam voor een uit de kluiten gewassen steeg die tegelijkertijd zowel agora- als claustrofobie als algehele mensenvrees opwekt door die zó van een schilderij van Edvard Munch geplukte hologige apenkoppen die deze vertrekhal voor het einde der tijden bevolken. De terreur der stadsgeluiden mag bekend zijn, werkend achter een open pui in de Beurspassga wordt een mens horendol van elkaar door het uitstoten van dierlijke kreten gedurende de werkdag steeds sneller en luider het bestaan misgunnende lieden, alarmsignalen, en helse, zogenaamde easy listening uit, pienter genoeg, onzichtbaar aangebrachte luidsprekers. Maar werkelijk met geen pen te beschrijven was de orgelman, met een gemotoriseerd orgel, het kan ook een muzikale brommer geweest zijn, ik zie de man nog wel eens orgelrijden in boze dromen, die de ingang van de Passage tot zijn vaste stek had gemaakt. De eerste keer deden de tonen me nog aangenaam verrast opkijken, maar de gesel voor het gehoor die dit orgel was, de imbeciele medley's van de allerslechtste Beatles-composities gecombineerd met het voortdurend gerinkel van het centenbakje, werden spoedig een onuitstaanbare kwelling.

Op een ochtend, toen ik mijn fiets juist bevestigde aan zo’n geinig groen straatobject voor de Passage, achter het orgel, keek de orgelman met zijn hangsnor om de hoek en beet me toe: ‘Haal je fiets weg!’

Een beleefd informerende blik mijnerzijds bracht hem tot een ferm: ‘Lul!’, wat hij kracht bijzette door een schopje tegen mijn voorband te geven, nog wat voorzichtig, als om de bandenspanning te testen. Het slot nog in de hand sprong ik naar voren, mijn diepgevoelde, wekenlang gevoede haat tegen hem en zijn orgel luidkeels ventilerend, waarvan me nog slechts de woorden ‘zweetlul’ en ‘soepkip’ bijstaan, want in werkelijke woede ben ik weinig creatief. Als hadden ze hierop gewacht, dromden de passanten samen, en in de kring die zich vormde vond mijn blik die van een buitenlandse vriendin, die altijd wat angstig over Amsterdam sprak, waarop ik altijd had gemeend ‘onze’ ‘tolerantie’ luide moeten roemen. Mijn handen lieten de ketting vieren en ik heb, zacht vloekend tegen de orgelman, mijn fiets ter hand genomen en ben met geheven hoofd mijns weegs gegaan, verre van de Beurspassage, waar ik tot de dag van vandaag geen voet meer heb gezet.

En nu lees ik in Jeugd in de Pijp over ‘trossen toffe meiden die op de hobbelige keien achter het orgel aandrentelden’. En of ik, lezer, niet gesteld ben op draaiorgels? En ik denk bij mezelf: ‘Is de paus katholiek? Hebben kaboutwers een puntmuts? Is Jos Brink homo? Schijt de beer in het bos?’ - Natuurlijk houd ik niet van draaiorgels. Wat mij betreft rijdt die orgelaap met zijn orgel in één van de zwarte gaten, gelegen in de Apollolaan, althans volgens de man die mijn Vriendin de Gekkenverzorgster samenzweerderig wist mee te delen dat hij zoujuist 'het heelal twee graden had opgewarmd'. Goedenavond.

« Terug