Radiocolumns
Jisp - een sprakeloze zomeravond
29 juni 1995
Luisteraars, een goedenavond, of wat is het eigenlijk, borreluur.
Teneinde vooral maar te kunnen blíjven spreken, vind ik mijzelf af en toe terug, verstrikt in nachtmerrieachtige conversaties, discussies, gedachtewisselingen of wat daarvoor moet doorgaan, meningen verduidelijkend die ik eigenlijk helemaal niet heb, standpunten verdedigend die ik niet deel, ja soms zelfs het tegenovergestelde bewerend van wat ik eigenlijk denk of vind of denk te moeten vinden. Vaak klopt het dan ook helemaal niet meer. 'Ach, ik begin er steeds meer van overtuigd te raken dat het niks uitmaakt allemaal. Integendeel zelfs,' hoorde ik mezelf onlangs stellig raaskallen, en het duurde nog enkele minuten voordat iemand iets doorhad. En dat om toch maar iets te zeggen. Maar sommige mensen verdienen het ook niet, dat iemand het met ze eens is. Het ligt dus niet aan mij, maar aan hen. Bij alles wat je zegt veren ze op, trekken hun kop in een moeizame grimas en beginnen langgerekt van 'Nouu... hmmm... ik wéét 't niet hoor...' Dat soort mensen, daar ben ik het dan ook graag en goedkoop mee oneens. Alleen met mensen heb ik dat. Anderen hebben het weer met bijvoorbeeld landschappen. Als u me toestaat een voorbeeld te schetsen: veel stedelingen kunnen hun kop niet houden op het platteland, in de buitenlucht. En omgekeerd trekken provincialen vaak fluisterend door de stad, hoewel in zekere, bepaald niet de beste kringen een ommekeer lijkt plaats te vinden. Afgelopen zondag mocht ik me in stads gezelschap vermeien aan het Zwet bij Jisp, waar de wuivende rietkragen me nog het meest deden denken aan de videoclip bij het lied In the Dutch Mountains van The Nits, want mijn referentiekader is zo grootsteeds als mijn idee van het buitenleven romantisch is. Bij een sympatieke botenbouwer huurden we enkele roeiboten waarmee we naar een landje voeren, alwaar de picknickmanden werden uitgepakt en het zoete, zomerse bestaan een aanvang nam. Peinzend over het uitstervende ambacht van de botenbouwer, die door ons gezelschap was onthaald op luidkeels verkondigde, leutige stadse snedigheden, die hij stoïcijns had aangehoord, zaten we in de natuur. Hoe de botenbouwer met zachte hand het fijnzinnig gelakte houtwerk van zijn boten had beklopt, hoe hij verzuchtte dat hij nu timmermansklusjes moest aannemen om rond te komen, maar ons tegelijkertijd niet ongerust wilde maken over zijn toekomst, om ons uiteindelijk mede te delen dat hij er, wanneer wij terugkwamen, niet zou zijn, zodat we het geld maar in een envelop door de brievenbus moesten duwen. Te beleefd om vooraf geld te vragen. Ach.
Al spoedig zagen onze stadsbleekneusjes vuurrood. Een enkeling waagde zich, ter verkoeling van het door zon en wijn verhitte lijf, in het zompige, ernstig met cadmium vervuilde water, anderen hielden het op korte, pittoreske roeitochtjes door de sloten en weteringen. Een aantal moest steeds achterblijven om een geitenfamilie ervan te weerhouden onze leeftocht te consumeren. De schade bleef beperkt tot enkele boterhammen, een plastic tas en één - brandende - sigaret.
Alles ging gepaard luisteraars, met, het spijt me dat ik het zeggen moet want het waren mijn eigen vrienden, een luidruchtigehid die slechts in de paradox 'boers stads' te beschrijven is. Alvorens huiswaarts te keren zetten we ons neer op het terras van uitbaat De Lepelaar in Jisp. Aan een belendend tafeltje zat autochtoon, stoer werkmansvolk dat schameperde en grapte en steels onze kant uit blikte dat het een aard had, maar bij beleefde navraag naar het hoe en waarom van hun jolijt plotseling nog slechts onverstaanbaar dialect sprak. Wij kregen het zeer benauwd en waren opgelucht toen we afscheid konden nemen van een dag kolereherrie.
's Avonds zaten we in onze stadstuin, onder klimmende heesters te nippen van koele wijnen. Het stukje hemel tussen de gevels was doortrokken van witte strepen. Het rook naar de geneeskrachtige en opwekkende kruiden die mijn verloofde heeft geplant. We oefenden ons in zwijgen. En toen, onmerkbaar ineens, was het daar, het moment waar we onbewust op gewacht hadden: de zachte wind ging even liggen en boven de stad verhief zich de sprakeloze stilte. Snel wilde ik zeggen: ik weet nog een mop, maar ik wist er geen meer. Want luisteraars, vergeleken met de rust van het platteland is de stilte van de stad oorverdovend en hartverscheurend. Ik wens u nog een sprakeloze zomeravond.