Radiocolumns
Kerstmus
22 december 1994
Luisteraars, een goedenmidag, of wat is het eigenlijk, borreluur.
Bij toeval tik ik het huisorgaan van het Leger des Heils, De Strijdkreet, op de kop, en neem terdege kennis van de ´Kerstboodschap van de Generaal´. Met een zwaar hoofd van de tijdens een kerstreceptie geschonken Glühwein keer ik ’s avonds huiswaarts en word ingehaald door een zich in marstempo voortbewegende junk die binnensmonds, maar met onmiskenbare gedrevenheid, Stille nacht neuriet. Kerstmis in Amsterdam. Nu kan ik mijzelf en u wel luidkeels toevoegen: wanhoopt niet, we hebben de kortste dag weer gehad en spoedig beginnen de dagen al te lengen, gelijk mijnheer mijn vader, vroeger, ‘s zomers met vakantie in streken die van begin mei tot tot eind augustus steevast werden geteisterd door ijskoude en slagregens, placht op te merken wanneer we halverwege urenlange, doelloze tochten door onherbergzame gebieden werden overvallen door inktzwarte luchten zover het oog reikte: ‘Kijk, het wordt al lichter!’ (waarna we alsnog midden in de nacht met de achterkant van een klauwhamer, want een tuinschepje hadden we niet bij ons, geultjes moesten graven rond het getente om het water af te voeren), maar zo tegen het einde van het jaar heeft een mens behoefte aan vastigheid en niet aan flauwekul. Wachten op het kerstmannetje dus.
En zo, in afwachting van Godweetwat, ga ik door de straten van de stad. Kerstsfeer in Amsterdam, dat is dus: seizoensgebonden inkopen doen in supermarkten die meer weghebben van fabrieksloodsen, waar het vreugdeloos winkelende publiek voor zover het niet uit ketters bestaat die de deur in mijn gezicht dichtgooien en loeren op de verwerpelijke gulden in mijn winkelwagentje, zodat ik ga wensen dat er een God bestaat, vermoedelijk vele kleurrijke godsdiensten is toegedaan, maar niet die van het kerstfeest. Daar dan plotseling een mannetje te ontwaren gekleed in een reeds in de jaren zeventig gedateerd kostuum, wiens hoofd juist tot de onderste schappen reikt en belegd is met glad achterover gekamd haar dat vanachter tot zijn schoudertjes reikt en waar een sneeuw van witte schilfers op ligt te glimmen, maar iedereen loopt met dezelfde nurkse kop stoïcijns voorbij aan dit wonder, dat mij zowel imponeert als angst inboezemt. Welk mannetje, na een kwartier dralen, een enorme zaagselworst inlaadt, om die, als hij de kassa nadert, toch maar in te ruilen voor een pot knakworsten van 89 cent.
Maar kersttijd in Amsterdam blijkt ook te zijn: mijn schoenen ter repareatie aanbieden bij de bijna blinde, als een pasgeboren marmot tegen het daglicht knipperende, in een souterrain huizende schoenlapper van ver boven de pensioengerechtigde leftijd, die je lang op je schoeisel laat wachten maar dan ook altijd ouderwets vakwerk levert, en die me door de jaren heen met krakende, evenredig met zijn voortschrijdende doofheid in volume toenemende stem verzekert dat zijn werk zijn lust en zijn leven is, zeker sinds zijn vrouw is overleden, en dat hij met de feestdagen gewoon door zal werken, om me, nog net voordat ik ongenadig mijn kop stoot tegen het lage plafond boven de trap die uit zijn holletje leidt, met merkwaardige opgewektheid die
bevrijdende, afschuwelijke, dezer dagen in alle toonaarden tot me komende kerstkreet toe te juichen: 'Prettige dagen nog hè!' Ja, kerstmis in Amsterdam: later die dag zit dezelfde, Stille nacht zingende junk op mijn stoep te chinezen. Met redeloze woede bijt ik hem toe dat hij geen rotzooi moet maken voor mijn deur, en trouwens ergens anders ook niet, en... maar terwijl hij zijn gereedschap bij elkaar pakt, roept hij me terug: 'Telefoon!'
'Wat!?' zeg ik, enigszins verbluft.
'Je telefoon gaat. Binnen,' verduidelijkt hij. Maar wanneer ik de sleutel weer in het slot steek houdt de telefoon ermee op. Peinzend kijk ik de junk na. ‘Prettige dagen nog hè,’ roept hij me na. En dit is nog maar Kerstmis. Vorig jaar, gezeten in een wegrrestaurant ter hoogte van Nederweert tussen kerst en oudjaar, bestond het een serveerstertje bij het afrekenen te mompelen: 'En als ik u niet meer zie, nog een prettig uiteinde.' En daar wilde ik het maar bij laten luisteraars: Als ik u niet meer zie, nog een prettig uiteinde. Een goedenavond.