Radiocolumns

Marsman

1994

Luisteraars, een goedenavond, of wat is het eigenlijk, borreluur.

Amsterdam is in vele toonaarden bezongen. Ik denk nu even niet aan Johnny Jordaan, maar aan de dichters met pen, papier en heupflacon. Die vereeuwiging gaat van Vondels Inwijdinge van het Stadhuis op de Dam tot in onze dagen door en het einde is voorlopig nog niet in zicht. Een van die voortlevende grote namen die Amsterdam bezong is Hendrik Marsman. Zijn ode heet dus Amsterdam en gaat zo:

De maan verft een gevaar over de gracht
ik schuifel elke nacht na middernacht
in een verloren echolozen stap
ruggelings schuivend langs de hemelschuinte,
de treden der verlaten wenteltrap
van de ontstelde ruimte

Sinds jaar en dag zit het in mijn kop en komt er te pas en te onpas weer uit, vooral na zwaar tafelen en nog naar huis moeten. Een gekmakend hitparadedeuntje dat maar repeteert in je kop. Nooit van buiten geleerd, eigenlijk wil je het niet, het is er gewoon. Plotseling was het daar, ter hoogte van Carré: 'De maan verft een gevaar over de gracht...' Die spontane citeerbaarheid is allerminst een criterium voor goede gedichten. Gemiste penalties zie ik ook regelmatig terug in koortsige halfslaap, en het zijn nooit esthetische wonderen.

Maar die Marsman had een luukse truc met woorden. Met veel omhaal weinig tot niets beweren, als een politicus, een vertegenwoordiger. En zo’n hoofd had hij ook een beetje, zien we op nagelaten foto’s: hij was in het bezit van een afgetrokken kruidenierskop met een zuinig, cententellend mondje, waar weinig Wein, Weib und Gesang op te lezen valt. Maar intussen: 'Grootsch en meeslepend wil ik leven, hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis.'

Erg lang leefde hij in ieder geval niet. Marsmans leven, begonnen in 1899, werd vroegtijdig getorpedeerd in 1940, in het ruim van het schip dat hem en zijn vrouw van Frankrijk naar Engeland zou brengen, weg van de Duitse dreiging. De overlevering wil dat de enige overlevenden de scheepskok en Marsman zijn vrouw waren, wat de vraag oproept wat die twee samen in het kombuis uitvraten. Jaren tevoren had de dichter van het joyeuze gebaar en de grote woorden in zijn visionaire bootgedichten al gerefereerd aan dat benauwde einde: 

De eenzame zwarte boot
vaart in het holst van de nacht
door een duisternis, woest en groot
den dood, den dood tegemoet.

Jawel, hij had een weg met woorden, Hendrik. Maar veel gebakken lucht. Hij beschrijft niet alleen een delirium, volgens mij was hij nog dronken toen ie het schreef ook.

Ik schuifel elke nacht na middernacht
in een verloren echolozen stap,
ruggelings schuivend langs de hemelschuinte.

Nou, dat is duidelijk: laat naar bed en maar drinken. Want wat moest die dichter daar eigenlijk zo laat op straat, tastend langs de muren? Geen bosbessen plukken, zoveel is duidelijk. 'Na midernacht', ja, toen gingen de kroegen dicht. En je ziét de dichter gaan, duffelse coat tot de hals dichtgeknoopt, rollend met de ogen, onvast van tred, opwaaiend speeksel in de mondhoek. Grootsch en meeslepend. Zojuist heeft hij de voltallige cliëntèle van zijn stamcafé dodelijk beledigd en knallend met de deur geslagen, maar buiten stormde het en hij was zijn paraplu vergeten, en na die met hangende pootjes te zijn gaan ophalen en voor de twede keer buiten gekomen te zijn, slaat hij bijkans tegen de grond van de vrieskou en zoekt vergeefs houvast aan de muren. 'Grootsch en meeslepend,' mompelt hij, zijn enige oriëntatiepunt het steeds veranderende blotebillengezicht van de maan in het kabbelende grachtenwater. 'Als ik thuiskom,' denkt hij, 'Áls ik thuiskom, dan schrijf ik er een gedicht over.' Nare man. Maar hij ís thuisgekomen, en hij heeft er een gedicht van gemaakt.

En dat was nou het vitalisme van Marsman, de hartekreet van zielepotige boekhouders die vrachtwagenchauffeurspoëzie schreven. Zo ging dat in die dagen van de vent en zijn bluf. Wat dat betreft was het Ajaxpoëzie hoor: nog voordat hij een letter op papier gezet had, stond Marsman al met 1-0 voor. Zoals Cruijff ooit op teevee zei: 'Voetbal en tactiek is 1 en 1 is 2 en daar moet je dan een half aftrekken omdat je het niet zeker weet.' Vul voor voetbal en tactiek vorm en inhoud in en je hebt een schets van Marsmans poëzie.

Waarom, luisteraars, is Amsterdam dan toch zo’n fijn gedicht? Niet alleen vanwege het herkenbare beeld voor iedere Amsterdammer die ooit laveloos tastend de weg naar huis heeft gezocht. Je zal ze de kost moeten geven. Nee, het is Marsmans ongebreidelde, enigszins alcoholische en ongenuanceerde enthousiasme, onontbeerlijk voor de trapsgewijze opklimming der kunsten, waarbij iedere kunstenmaker even de pas inhoudt om zich vervolgens met verdubbelde kracht af te zetten op de vorige trede, liefst zonder de ladder onder zich vandaan te zien sodemieteren. Want lang voor en lang na Mrasman gaan dichters dronken over straat. En het relativerend vermogen der kritiek is een deugd die té hard van stapel lopen kan voorkomen, maar de zeer besuisde instelling waaruit dat voortkomt is dodelijk voor de kunsten.

Wat leren wij hier nu van? Weer niets, ben ik bang. Of het moesten de woorden van Pascal zijn: alle ongein in de wereld komt er uit voort dat de mensen niet gewoon rustig in hun kamertje kunnen blijven zitten. Dit, luisteraars, was uw eigen directeur van het Algemeen Theorieburo, ook voor poëzie, onder het motto: Vers Verpakt. Een goedenavond.

« Terug