Radiocolumns
Maupoleum 2
31 augustus 1995
Luisteraars, een goedenavond.
Gezegend, ons Amsterdamse bestaan, en dat moeten we ons terdege realiseren, want elke dag is er één, en ruimte voor kritiek is er trouwens wel degelijk, mits opbouwend en positief van aard, zoals de met publieks- en persvoorlichting belaste overheidsdienaren ons blijven toeroepen. Maar waarom, zo roep ik u op mijn beurt toe, dient de kritiek op deze, zichzelf onophoudelijk vernieuwende, stad, ook nog eens 'opbouwend' te wezen? Kritiek is per definitie afbrekend, het woord zegt het al.
Knarsetandend en de vingers klem slaand tussen de toetsen noteer ik dit voor u, uitziend op de plek waar voorheen het Maupoleum trots van lelijkheid boven de huiskamers uit torende, waarover vervolgens een winter lang de poolwind woei, en waar nu gewoon weer een Maupoleum verrijst, alleen niemand die het door heeft, of ze doen alsof, ik weet niet wat het is, soms denk ik dat ík gek ben. Een afgelegen weiland is inzet van een referendum, maar de bouw van wederom een grootstedelijk gedrocht vindt, behoudens enkele kansloze protesten tegen de kap van aanpalende bomen, gewoon doorgang. Duizenden zullen in de schaduw van deze kolos het levenslicht aanschouwen, trachten te overleven en sterven; evenzovelen zullen, elke dag weer, hoofdschuddend en handenwringend dit nieuwe konijn uit de hoofdstedelijk hoed passeren. Waarlijk wonderlijk, dit tot experimentele kunst verheffen van de stadsplanning. Doch geen initiatief dat vraagt om 'opbouwende kritiek', dunkt mij. De mens blijft zwalken tussen aap en God en is derhalve niet geschapen om te leven onder de rook van een Maupoleum. Het ideaal, gelijkvloers in een moderne plaggenhut, of desnoods op het water, voor hen met een sterke baarmoederdrang, of wat is het, zoals ik zelf, laat ik buiten beschouwing, zolang het maar geen gemiddeld, ruim uitgevallen poppenhuis is.
Dwars door het boren en heien heen schieten mij de Japanners te binnen, aan boord van een veerboot, die zich vrijwillig in polyester, dus eenvoudig klamvochtig af te nemen doodskisten schoven, waar zij de slaap der onverstoorbaren vatten, in afwachting van de definitieve overzetting door Charon. Met open mond keek ik toe, sterk vermoedend dat het niet lang meer zou duren eer de mens staande kon slapen, de hartslag vertragen en een nauwelijks waarneembare bloedsomloop hebben. Vraag maar in Hiroshima. Door een moderne winterslaap zal het mogelijk worden alle horkerige nieuwbouw te overleven. Hoe vaak komt u niet, naar uw aard grijnslachend dan wel vol mededogen zuchtend, voorbij een woonkazerne waarvan het u verbaast dat er menselijk leven mogelijk is. Geachte luistervink, daar wonen wel degelijk mensen, daar wordt geboren en geleefd en gestorven, niet omdat die mensen dat willen, maar omdat ze moeten, van uit mallen gefiguurzaagde overheidsdienaren met bekken vol gemeenplaatsen die er om strijden als eerste de ether in te vliegen.
Niet in de hoop ook maar ergens iets veranderd te hebben, maar met bevrijd gemoed, groet ik u allen vriendelijk vanaf mijn eigen drijvende woonstee, tegen een nu eens blauwe, dan weer snel betrekkende najaarslucht, die doorsneden wordt door al roestige, stalen balken en hijskranen, boven een nu reeds, in een embryonaal stadium van Maupoleum verkerende, zijn dreigende slagschaduw generaties vooruit werpende betonconstructie. Goedenavond hoor.