Radiocolumns

Mien met de Bezem

Luisteraars, een goedenavond – of wat is het eigenlijk, borreluur.

November. De maand dat alles weg moet. Grote opruiming. Waar eens het Maupoleum topzwaar van lelijkheid mijn horizon beheerste, is nu een kale, puinhoperige vlakte als fall out neergedaald. Een woeste stadswind waait de laatste herfstbladeren door de brokstukken. De rest wordt bijeengebezemd door mijn buurvrouw, Mien met de Bezem. Zelf bestrijd ik een opkomende  herfstdepressie door oude bescheiden uit laden en hangmappen, van mijn bureau en van onder meubilair te halen.

Zo valt mijn oog op de folder die bij de Flamingo FL 1 ging, een handzame, in stemmig blauw uitgevoerde draagbare telefoon die ik met genoegen gebruik. Onder 'Binnenkomende gesprekken' lees ik: 'De in het toestel ingebouwde bel zal U er op attenderen dat er een gesprek binnenkomt. U kunt de telefoon nu oppakken en het gesprek gaan voeren.' Mijn najaarsonmacht wordt er niet minder van.

Vervolgens verdiep ik me in de zegeningen die het bedrijfspensioenfonds voor de detailhandel voor mij in petto heeft. Ik blijk recht te hebben op ƒ 4,81 op jaarbasis, terwijl er ook nog voorzien is in een nabestaandenpensioen dat zeventig procent van dat ouderdomspensioen bedraagt.

Gelukkig word ik op dat moment gestoord in mijn overpeinzingen, die een steeds somberder karakter krijgen: buiten gaat Mien met de Bezem, verwoed strijd leverend met de elementen. Natuur, dat is per slot van rekening prachtig mooi, maar ze moet wel binnen de perken van potten en plantenbakken blijven, in de vorm van Mien haar begonia's en afrikaantjes, waar blijf je anders? Achter haar voordeur heeft Mien wel tien van die heksenbezems staan, die ze betrekt bij een gemeentelijke voorziening om de hoek. Elke dag gaat ze, gewapend met steel en takkenbos, over de kade, en verwijdert onregelmatigheden. Zelfs Italiaanse drugstoeristen, altijd druk in de weer met lepeltjes, blikjes of spuiten, moeten wijken. ‘En wee hem, die vraagt waarom.’ Want Mien zegt gewoon: 'Ik mot vegen!', en verdomd, ze verheffen zich krakend, niet zelden zelfs excuses mompelend, en gaan heen om hun verwoestende werkzaamheden elders voort te zetten. Niets ontsnapt aan haar schoonmaakwoede: elk blaadje, elke uitgelopen plak kauwgom of sigarettenpeuk is een aanslag op haar instinct. Verbeten veegt en slooft en boent zij, en ik vrees voor haar gezondheid want zo heel piep is ze niet meer, maar ze gaat door totdat haar ideaal, volledige asfaltering van Nederland van Maastricht tot aan de Waddenzee, een feit is, het geheel om de kilometer opgefleurd met een plastic dennenboom.

Mien, hoewel niet het genre vrouw dat van nature directeur is, heeft me met de hand op het hart doen beloven dat ik alles wat binnen mijn vermogens ligt zal aanwenden om haar te steunen in dat streven. En oprecht doe ik mijn  best, met een onder luid gejoel der stadreinigingsambtenaren afgehaalde bezem veeg ik de stoep voor mijn trouwe woonschip. Maar ik weiger categorisch net als Mien door de knieën te gaan voor het onkruid, dat hier welig tiert tussen de kinderhoofdjes. Mien begrijpt het niet, dat onkruid moet toch verdelgd worden, en mijn uitleg moet ik beperken tot een stompzinnig gegrijnsd: 'Het is toch mooi', waarvan ik zelf het tegendeel ga denken.

De uren van de dag dat Mien met de Bezem niet op de kuistoer is, bevindt zij zich in een groen pluchen fauteuil achter haar vitrage, vanuit welke positie zij alles wat op de gracht omgaat waarneemt en elke onrechtmatigheid registreert. De laatste weken bijvoorbeeld verbieden mijn drukke werkzaamheden het mij de gehele dag de straat te boenen, en daarbij, vind ik, je moet de natuur niet teveel in de weg gaan lopen. Ik bedoel: Mien met de Bezem zou alle herfstbladeren het liefst eigenhandig van de bomen trekken en in grote huisvuilzakken proppen.

November. Brr. Alles moet schoon, alles moet weg: Mien met de Bezem, het Maupoleum, het gebladerte. Kon ik er zin aan geven, dan werd alles vast anders. Maar al die dingen gebeuren maar, verschijnen en verdwijnen. Ik wil me zelfs niet meer afvragen waarom. De telefoon gaat niet. Het is nog lang tot mijn pensioen. Alle oud papier heb ik de deur uit gedaan.

Vanuit een verwaaid maar inmiddels ziekenhuisschoon landschap was dit uw eigenste Herfstdepressor. Een goedenavond.

« Terug