Radiocolumns

Paardenkop en Prethoofd

Een generatie nadat Nescio zijn Titaantjes  het licht deed zien, had ik de merkwaardigste ontmoeting van mijn leven. Het was zomer en ik was juist teruggekeerd van een lange buitenlandse reis en liep enigszins ontheemd te koekeloeren in het Oosterpark. Loom, warm weer en over het park hing de zware geur van hondenpoep. Hier hadden Nescio's hemelbestormers zomernachten tegen het smeedijzeren hek geleund en op de stoeptegels gezeten. Voordat ze één voor één op hun schreden waren teruggekeerd; de ooit verafschuwde politiek ingegaan, op kantoor beland, gaan werken voor de gasfabriek. En eentje was er gek geworden.

En ik besloot koers te zetten naar de Ringdijk, naar de bouwvallige, uit de oorlog stammende woning die ik na mijn terugkeer had betrokken. Hier, aan de toenmalige stadsrand, hoorden de Titaantjes, wanneer de duisternis inviel, aan de overkant van het water het gesnuif van de herkauwende koeien, maar konden ze niet zien. Waar nu mijn huis stond moesten toen die koeien gegraasd hebben, besefte ik. Toen drong tot me door dat ik al een tijdje mijn naam hoorde roepen.

Ik draaide me om en keek recht in de brede grijns van de Amerikaan Paul W. – Paardenkop. Weer noemde hij mijn naam en propte een hand chips tussen enorme, malende kaken. Met de feitelijk onuitstaanbare Paardenkop had ik tijdens mijn reis enkele maanden opgescheept gezeten, wat, ondanks onszelf, een band had geschapen, realiseerde ik me nu. Terwijl het ongebreidelde handenschudden en schouderkloppen een aanvang nam, hoorde ik nog steeds mijn naam roepen. En uit het gebladerte verscheen, zijn gulp dichtknopend, Prethoofd: de olijke Canadees Bernard O. met wie ik maandenlang armoe had geleden op verre, verdorde plantages. Stom keek ik hem aan. Hij keek terug. Paardenkop bewoog dat grote hoofd van links naar rechts. Prethoofd en ik keken naar Paardenkop. En toen begonnen we alledrie door elkaar te praten.

Ook zij, dromende reizigers net als ik, hadden elkaar ooit, ergens, ontmoet, en bleken gisteren dezelfde vlucht naar Amsterdam te hebben geboekt. En nu zaten ze met zakken chips en flessen wijn in het Oosterpark. Het weerzien had iets van een groots en oud verbond, onder het discreet lispelende geboomte, en ik vertelde ze dat het die dag mijn verjaardag was.           

'Toeval bestaat niet,' mompelde Paardenkop, die Zen-boekjes las.           
'Juist wel,' wierpen Prethoofd en ik tegen, 'Deze ontmoeting bewijst het.' Zag daar maar een speld tussen te krijgen. Gedrieën liepen we voort door het park en passeerden stille getuigen: het onverstoorbaar charmante beeldje van de Titaantjes. Voor ik weer kon verzinken in gepeins hadden we elkaar veel te vertellen, en temidden van het autogeraas dat de plaats van het koeiengegraas aan de Ringdijk had ingenomen werd het nog een heugelijke dag.

Die wonderbaarlijke dag ligt ver achter ons. Prethoofd is in Canada jurist geworden, en was jong vader van een schitterende dochter. Het laatste wat ik van Paardenkop hoorde was dat hij in Cairo toeristen reischeques liet 'verliezen', om die vervolgens te verkopen én te claimen bij de verzekering – transacties waarvan 'iedereen', en vooral hijzelf, beter schenen te worden. Ik woon al lang niet meer bij de Ringdijk. Het standbeeld van de Titaantjes werd van de sokkel gezaagd en ontvreemd uit het park, maar het is later opnieuw gegoten en staat er weer alsof het nooit anders is geweest. Soms kom ik er nog langs, en altijd neem ik een denkbeeldige hoed af. Dan denk ik: jaja, jongens waren we. Maar om een of andere reden lang niet zulke aardige jongens als de Titaantjes.

« Terug