Radiocolumns
Stoïcijns barkeepersvernuft
6 juli 1995
Een goedenavond toegewenst vanuit dit zweetkamertje aan de S-gracht. Ik had zo gedacht hedenavond maar wat losse zomerberichten de ether in te slingeren, eenheidsdrift is per slot van rekening doodsdrift en distinctiedrift is levensdrift, in elk geval ben ik niet van de straat. Maar eens te meer won oprechte woede het van plannen, hoezeer ik ook voornemens was nooit, nooit, nooit weer te schrijven over kroegbazen, caféuitbaters en waarden, ‘of hoe die figuranten ook heten mogen’, sinds ik me bijkans een hartverknettering tikte in een ijdele poging aard en gedragingen van barman P. van het gelijknamige café aan de Utr. Str. te beschrijven en verklaren.
Aan de N.Markt is een café geopend dat nog het meest doet denken aan het vermaarde Great Northern of Southern uit Twin Peaks, met glimmende vloer, kloek biljart en ter verluchtiging één hertenkop aan de strakwitte wanden. Achter de toog echter heerst een soort Basil Fawlty, die op cruciale momenten doofheid veinst, plotseling jeuk aan de enkel krijgt en zich diep achter de bar verschanst om tot minutenlange krabbing van het geplaagde lichaamsdeel over te gaan, en de muziek die hij op apenvolume door de luidsprekers zendt op verzoek wel wil vervangen, maar door immer even zielloze en debiliserende klanken. Na ettelijke pogingen krijgen we de slappe lach: ‘Eh, mogen wij even afrek...?’ - En daar duikt de waard, blijkens een oplichtend bordje achter de toog gezegend met de naam Ivo, weer weg om te krabben. De moderne Amsterdamse barkeeper is niet de Carmiggeltiaanse mopperende dikzak met brave inborst, maar een gewetenloze muziekmaffioso, die zichzelf hier eigenlijk te goed voor vindt, cultureel antropoloog of communicatiewetenschapper als hij feitelijk is. De kwaliteit van de barman is onder meer af te meten aan de delicate afweging: opschrijven of contant laten betalen. Een ongeschreven wet bepaalt dat de klant koning is en dus al zwijgend kan bepalen dat de verteringen opgeschreven moeten worden. Een ambachtelijk waard zal zwijgend iets op een velletje krabbelen, ‘tafel twee’, ‘heer in pak met struise blondine’ van mijn part, en daarachter de consumpties turven, om pas als de klanten het etablissement willen verlaten tot afrekening over te gaan. Het vanachter de bar vragen naar namen vraagt om gewild snedige antwoorden en is overbodig. Hier gebeurde het wel. We noemden een naam en het bestond deze jongebal, die bij eerste, vluchtige beschouwing overigens een zonnebril in het haar geplant leek te dragen, maar bij nader inzien gebukt ging onder een sterk wijkende haargrens, bij elke bestelling, als dat lukte dus, het gevraagde uit volle borst te herhalen en te laten volgen door die naam, als zo’n ‘intercedent’ van een uitzendbureau. Hetgeen me deed denken aan onze voormalige slager, E. de W. uit de Utr. Str., die elke bestelling herhaalde en er aan toevoegde ‘ja’. ‘Één onsje salami ja.’ Dat leek een hebbelijkheidje, maar bleek erfelijke belasting; groot was onze verbazing toen op een dag E.’s slagersdochterje onze bestelling opnam met: ‘Één pondje lamsgehakt ja.’ Middenstand o middenstand. Liederen. Gezang. Maar daarover een volgende keer. Uiteindelijk bleek hij niet te kunnen rekenen, Ivo, wonder van stoïcijns barkeepersvernuft, wellicht enigszins van de wijs gebracht door onze verstikte stemmen en rode koppen, en daarom groet ik hem vanaf deze plaats hartelijk. En u ook. Goedenavond.