Radiocolumns
Vakantie
13 april 1995
Luisteraars, een goedenavond, of wat is het eigenlijk, borreluur.
Het land is leeggelopen, de parkeerterreinen in de provincie bieden een verlaten aanblik, maar ik dien, daar door de omstandigheden toe gedwongen, elke dag mijn weg te zoeken door de straten van de stad die vol zijn van een tijdelijke bevolking, naar de gaarkeuken waar ik mijn brood op eerlijke wijze tracht te verdienen, laverend tussen de illegale terrasstoelen door, gewild grappige op- en aanmerkingen van terraszitters - ze hebben er voor betaald tenslotte - trotserend, het hoofd fier geheven, buik in, pik vooruit, zoals mijnheer mijn vader placht te zeggen. (Plachtte, hoor je ook wel eens.) Het lot van de thuisblijver.
En luid roep ik mijzelf en mijn zeldzame medestrijders in komkommertijd toe dat we het vaderland dienen en dat zulks een eer is en dat het wat moois zou worden indien iedereen voortdurend zo maar met verkansie ging, en dat de holenmens nooit van vakantie gehoord had, en ook in onze dagen hoor, de sappelende akkerbouwer die zeven dagen per week, het gehele jaar door, van vier uur 's ochtends tot tien uur in de avond. Dat het tegennatuurlijk is.
Collega's die verzuchten dat ze zo aan vakantie toe zijn bijt ik toe dat 'tussen de oren zit' en dat je 'in je hoofd met vakantie moet gaan', innerlijk emigreren desnoods, zoals ik zelf, al jaren woonachtig aan een verlaten stuk Kretenzer kust, geen mens die het weet, maar als ik 's avonds thuiskom en zo'n ijskoude Chinees met een witte pet opentrek, nou, daar kan geen zomeraanbieding tegenop. De wetenschap de volgende morgen weer te moeten aantreden sterkt mij slechts in deze overtuiging, of wat is het eigenlijk, het maakt ook niet uit, ik ben er in elk geval zeker van. Altijd onderweg, nergens thuisch. Of andersom, dat is ook mooi.
Eerst in oktober, wanneer het gebladerte weer los komt van de bomen, zal ik mijns weegs gaan en mij vervoegen op een vakantiebestemming waar de autochtone bevolking inmiddels de buik dermate vol heeft van toeristen dat de plaatselijke posterijen zullen weigeren bewijsstukken naar het vaderland te zenden. Het is mijn lot.
Intussen blijf ik fluiten en zingen terwijl ik in de pannen griesmeelvla en bitterkoekjespudding sta te roeren. Af en toe een danspasje. We komen er wel. 'We blijven dit jaar lekker dicht bij huis,' spraken ooit kennissen, om hun caravan in de voortuin te parkeren en vervolgens de gehele zomer door te barbecuen. Een prijzenswaardig initiatief, ofschoon de uiterlijke kenmerken van de caravan, sterk overeenkomend met die van de zogeheten 'snackmobiel', de welgestelde buurt waar de kennissen woonden al snel deed gonzen van de geruchten als zouden de kennissen geen verkansie kunnen betalen en bijklussen door de verkoop van inferieure frikadellen in hun voortuin.
Eerst wanneer wij allen tevreden kunnen leven in het ongewisse, voldaan met wat ons toekomt, zullen wij ongebreideld verkansie hebben. Dan zullen rondleidingen en georganiseerde busreizen afgedaan hebben. Dan zal geen sprake meer zijn van zonnebrand en rubberboot. En terwijl buiten, op de terrassen zonder getal, onwetenden zich onledig houden met het leegdrinken van grote, gele, glanzende glazen bier, verblijf ik tot die tijd, blijf ik lachen en dansen en zingen en roeren in potten waarvan de halve inhoud des avonds al weer tot stof weerkeert, geen groots of meeslepend bestaan, maar ik zal er over vertellen tot mijn stem hapert en op gezette tijden voor u informeren of de rapen reeds gaar zijn. Er mag gedanst worden. Ik wens u een goedenavond.