Radiocolumns

Woonwarenhuizen

11 mei 1995

Luisteraars, een goedenavond - of wat is het eigenlijk, borreluur. Wie zich, zoals ik vandaag, nog oprecht per fiets voortbeweegt temidden van de autohufters, teneinde een ochtend te winkelen in de hoofdstedelijke ‘woonwarenhuizen’, zoals de in onherbergzame gebieden aan de stadsrand opgestelde loodsen zich noemen, moet over een bijzonder dikke huid beschikken om er geestelijk en lichamelijk ongebroken aan te komen, onderweg voortdurend belaagd door lieden die hun rijbewijs hebben gehaald in een voormalig wingewest of cadeau gekregen bij de aanschaf van een sexpuzzel, en wier intellect niet evenredig is geklommen met hun kilo’s overgewicht, te oordelen naar de apenmuziek die hun, ook in deze druilerige regen, openstaande ramen verlaat. Reeds van verre betrekken hun smoelen als ze de eenzame fietser ontwaren, als ware die een bedreiging in hun territorium van de stadsjungle, wat vermoedelijk op een of manier manier ook zo is, dus om het zekere voor het onzekere te nemen snijden ze me af, kieperen hun asbakken vol roodgetuite filtersigaretten voor me op de rijbaan, steken worstige middelvingers als groet in de lucht, of nemen me in het tergend langzaam voorbijgaan gewoon langdurig op, met een blik waaruit zowel dierlijke verwondering (zie: koeien) als voorwereldlijke paringsdrift spreekt, alvorens met knallende motor door een regenplas weg te trekken. Ja, de aangeklede aap zit ingewikkeld in mekaar, vraag maar aan Desmond Morris.

Na onder een steeds miezeriger wordend hemeltje te zijn beland in een door een schizofreen uitgedacht stratenplan waarop gradaties van lelijkheid allang niet meer van toepassing zijn en waar slechts gekromde visgraatruggen en huilbillen in slobberende leggings zich als schuwe, het vale daglicht nauwelijks verdragende dieren langs de zwartgallige gevels spoeden, weet ik na enige moeizame communicatie koers te zetten naar het ‘woonwarenhuis’ van mijn keuze, om daar de meubelstukken aan te schaffen die me reeds prijsvriendelijk toelachten uit de folders die een half gealfabetiseerde postbode, ondanks strenge stickers op mijn bus, telkens weer hun weg laat vinden. Weinig kon ik op dat moment nog de leegte mijner handen en de volheid mijns gemoeds bij thuiskomst bevroeden.

Het warenhuis zelf, elke poging tot adequate beschrijving tartend, ik laat het voor wat het was. Wat rest is mijn vlucht: de wurgende weg terug op een tandenknarsend herenrijwiel, nadat een oudere employé met moede ogen en vergeelde bakkebaarden die tot ver onder zijn openstaande kraag doorliepen, en vermoedelijk nog veel verder, het had me trouwens niet verbaasd als zich onder de knoopjes van de man zijn terlenka overhemd een flora en fauna bevonden waar Darwin en Desmond Morris en die hele biologenbende nog een puntje aan konden zuigen, waar die man dus een jongste bediende instrueerde en trachtte in te voeren in de wonderlijke wereld van de kassabediening, van plus en min, vermenigvuldigen en aftrekken, subtotaal, dagtotaal, alles kon die kassa, en hij probeerde dat huilerig duidelijk te maken aan de bepukkelde jongen, die maar bleef knikken en wiegen op zijn innerlijke bioritme van acidhouse, alles in een onbegrijpelijke taal, waarvan uiteindelijk één verstaanbaar zinnetje de man zijn apenbek verliet, terwijl hij opkeek naar de inmiddels ellenlange, lijdzame rij cliëntèle, alsof dit normaal was, wat ook zo is, en dat luidde: `... en als ze met d’r zwarte klauwe in de kassa wille komme, want dat wille ze, dan doen jij gelijk van Rrreeng-klats!!' En met een enorme klap sloeg hij de kassa dicht.

Graag zou ik u zeggen dat ik op dat moment wakker schrok en me al snel verheugde over weer zo’n rare droom, echter neen, alles weer naar het leven en met lede ogen voor u opgetekend in onze eigenste fijne stad. Verder niks aan de hand. Dag hoor.

« Terug