Radiocolumns
Zigeunermeisje
De grootste drama’s spelen zich gewoonlijk niet af in de binnenstad, maar in de periferie. Zo ook deze avond.
Ik ben uitgenodigd, door Marcel, vage bekende, voor een Feest. Zo een dat pas aanvangt nadat het Wilhelmus over de radio heeft geklonken, en strijk en zet plaatsvindt in tochtige oude fabriekshallen vol nutteloze, vermoeide machines. Er is dit keer echter reden om stijl te verwachten, en allure, want de vage bekende ondertekent de uitnodiging met ‘Uw gastheer’, en ik begrijp uit de keurig uitgevoerde folder dat hij met dit feest de aandacht wil vestigen op ‘de unieke mogelijkheden die dit multifunctionele gebouwencomplex biedt’. Hatsee.
Fietsend onderweg naar dit ‘feest dat ik niet wil missen’ passeer ik leegstaande loodsen, weinig vreugdevolle bouwsels met zwartberoete gevels en kapotte ramen, die luisteren naar namen als Brazilië en Argentinië, wat me in deze poolnacht tamelijk bespottelijk voorkomt. Aan het einde van deze laatste weg ter wereld staat een loods als alle andere, en daar moet ik wezen.
Binnengekomen constateer ik gelijk dat het mis is wanneer ‘mijn gastheer’ met een enorme wietsigaret in zijn hoofd op me toesnelt en roept dat ik eerst moet betalen. Daarvan repte zijn uitnodiging niet, maar hij glimlacht er hemels bij, de rakker. Al zacht kreunend bestel ik een inferieur lauw biertje in een plastic glas en kijk om me heen. Op strategische plaatsen in de grotachtige zaal staan zitbanken opgesteld, waarin apathisch publiek vrijwillig een gehoorbeschadiging zit op te lopen. De meubels verspreiden een sterke geur van vorige generaties gebruikers. Door de ruimte struinen, stijf van de pillen en de coke, talloze whiggers, vroegwijze scholieren met Amerikaanse petjes, van wie ik me afvraag waar mijn belegen gastheer ze op de kop heeft getikt. Onwaarschijnlijk dikke hippies in spijkerkleding, dat Mao-pak van het westen, draperen hun buiken over geïmproviseerde togen en hullen zich zwijgend in oosterse dampen. Op het podium doet een propperig vrouwtje in veel te krap ondergoed een poging te zingen. Ze is omringd door met in de loop van vele jaren op bric-à-bracs bijeengegaarde kledingstukken uitgedoste, eeuwig jonge veertigers. Het lijkt in de verte op een Frans chanson, daar is alles me gezegd. Tot mijn niet geringe vreugde weigert de geluidsinstallatie regelmatig.
Achter in de zaal is een nisje dat hysterisch wordt verlicht door een geavanceerde flipperkast. You win, klinkt voortdurend en stem van blik. Achter de kast staat een klein meisje. Ze heeft een bleke huid en lang, donker haar, en draagt een kleurige hoofddoek. Ze staat te flipperen als een bezetene en begeleidt zichzelf met het geluid van haar ringen en armbanden. Omdat ik vroeger kampioen ben geweest op de Jungle Lord kom ik naderbij, en pas dan valt me op hoe mooi en klein het meisje is: ze kan hoogstens elf zijn. Het goudgeklater stemt me wat weemoedig. Even kijkt ze verstoord op als ik naast haar plaatsneem en goedkeurend hum.
‘Wat een herrie hier hè,’ merk ik op.
‘Me moeder,’zegt het Zigeunermeisje.
‘Watte?’
‘Dat is me moéder, op ’t podiejum,’ zegt ze, stug doorspelend.
‘O,’ antwoord ik, verbaasd het gedrocht op het podium monsterend.
‘Speel je mee?’, vraagt het meisje dan. Dat vind ik goed, en een uur lang flipperen we samen en het zigeunermeisje rinkelt met haar polsen en haar hoofd en ik haal bier en sevenup voor haar en ze slaat me met stukken en steeds hoor ik die stem: ‘You win.’ Haar glorierijke overwinning en mijn welgemeende felicitaties stemmen haar mild en ze vraagt: ‘Ga je me een stukkie lopen?’
Er komen allemaal gangen uit op de zaal waar ik mensen in heb zien verdwijnen die niet meer terugkamen en omgekeerd, en wat huiverig volg ik het Zigeunermeisje, dat even zwaait naar haar voortkwelende moeder. De lange gangen hebben talloze deuren die ze allemaal probeert, en ik weet niet waarom we hier lopen maar ik volg gewoon de schittering van haar sieraden door die eindeloze, halfduistere gewelven.
Eindelijk vindt ze een deur die open kan.
‘Psst!’, wenkt ze me, ‘Psst! Er zitten hier drie dikke kale kerels op een bank.’ Ik steek m’n kop ook om de hoek en verdomd: op een oude sofa hangen drie volkomen identieke kale kerels naar een tv te loeren in een verder lege ruimte. De tv staat uit, maar ze kijken op noch om. Ik kijk het zigeunermeisje aan, dat ze me wakker maakt. Het gevoel dat we een verschrikkelijk Geheim delen. Ontwaken!
Maar eerst moesten we die deur nog behoedzaam sluiten, en toen heb ik het meisje afgeleverd bij haar uitgetelde moeder, en afscheid genomen van mijn gastheer. En terwijl ik over die lange troosteloze weg terugreed naar de stad, klonk de hele tijd die mechanische stem in mijn hoofd: ‘You win’. En ik bedacht dat in mijn tijd zigeunermeisjes nog de hele dag alleen zaten te huilen op een steen…