Zachte berm (ellipsomanie)
(indachtig T., vier jaar oud, kijkend naar de Tour de France: 'Kijk dan! Allemaal fietsers die achter een brommer aanzitten!')
Je vlucht, nog in het voorjaar, hagel
rond als eieren: zo klem je zat -
al die tijd geluk gehad
maar nu dwars door de rem getrapt.
Stoppen kon niet meer.
Het kind dat 'Open de beurzen!' bloedde
van onder een wegdek. Je mompelde nog:
eerst de beton-beton-betonpalen.
Natte haren. IJs op de ziel.
Je had een naam – Ellipsica:
alles moest je korter, alles
wou je sneller.
Grijnzende luchten en meer
onafgemaakte dingen -
stoppen kon niet meer.
Hoe je windstilte diep
door de straten strompelde
in de loop van mei,
een storm van bommen,
menigten, puntige meningen.
En de wezen van de liefde zich
in vluchtheuvels verborgen:
groot verzet dat smoorde
in slootjes onverschilligheid,
camera’s, collectebussen.
Hier woei de Onvoorstelbare Oneindige.
Wanneer je opkeek, viel Hij niet te bespeuren,
maar was de horizon herschikt.
Besteeg je bezemsteel,
dronken hoer van lentelicht,
zo klem je zat, en voort maar weer,
vergeten,
tot September.
En in je hoofd
zo'n Fransig liedje:
Non, je ne rien non plus.
De zon zakt zwanger nu,
zweet, en handen los.
Je wikkelt landschap in je blos.
Dan wintermos: je landt fluweel.
Diep in de witte aarde wroet
het bange beest dat hoop heet.