Wetten van de jungle
I
Ik ben een aap met kruiend tandvlees:
ze trekken woorden uit me bek.
Dus loopt ik heel de dag te brommen,
strooit wat gouden komma’s
en als ik wat zegt
is dat
bij wijze van spreken.
Ze brullen maar in me gehoor,
ik luistert al me hele leven
(hep aan een hallef oor genoeg,
zie enkelt wat ik weet,
haalt hooguit ene schouder op).
Ik hept geen geweten.
II
Ik kompt op plaatsen waar ik vaak geweest bent,
(winkels, warenhuizen, wilgen)
als plotseling de telefoon gaat.
Het is God, me broer, hij mompelt van
'tevreden leven
in het ongewisse, kiezen
zonder je zin te willen...'
Maar hij is zelf niet zo lekker.
III
Zo gaat dat met die vrije wil:
niets als het verprutsen
van geklungel,
eendimensijonele anekdotes,
dominostenen die elkaar zetjes geven.
Vandaar de woorden die me bek
als sterren in zijn kaken klemt:
als ik iets zegt,
dan is dat dus
bij wijze van wreken.