Patience

Ik zag je jaren later,
en er was niets
van je overgebleven.

Ongemerkt je huls beroken.
De kamer, de spiegel, je huid:
vochtige aarde, rhododendrons,
witte, waaiende bloemen
- en de aftershave
die ik zelf niet lekker vond.

Dat je ook met anderen
- het kon me nooit schelen.
Nou ja, het kon me wel schelen,
maar het maakte niet uit
en schelen waren de mooiste niet.

Ik  wilde weten waar je vandaan
en hoe het afliep.
Dat je om me lachte, urenlang
mijn rug streelde,
en een kind met zo’n naam
dat we later niets meer hoefden zeggen
over vroeger.

Maar nooit
dat het geen zin had,
ons mateloze kussen,
de heilige passen,
zwalkend van liefde.

Onze handen, rijst met vis,
plastic bakjes.
We stierven en waren
ergens niet ver vandaan.

« Terug