Liefde

Mafkeetstééél!

Ik ga niet bij jou weg.
Ik ga al bij mezelf weg,
biechtend, liegend;
op zoek naar iets
wat ik toch niet wil vinden.

Die buitenkant ben ik:
kostuum van bloed,
zwarte gewoonte.
En de wereld maar gloeien en stralen.
Was ik gebleven, ik was
aan mezelf tenonder gegaan.
Om over jou maar niet te spreken. 

Je kon er toch al nooit goed tegen,
overstemde mijn gebral:
'Kom op! We gaan gelukkig doen:
kruipen in de Iemand Anders Huid,
ontbijten in het Glazen Huis,
paarden suikerklontjes voeren.'

Nobody’s perfect, stond op onze shirts.
Nee, we waren niet af,
maar toch niet in staat
ooit nog wat dan ook te leren:
alles anders dan we dachten.

Dus blijf ik bij je, Novembermeisje,
Vanilla, ik ben je van alles
verschuldigd.

Want zonder jou
was ik niets dan een man
- een liefhebbend man -
met een hoed er op
en een pak er an.

Dus laat me je troosten, laat me
je strelen, je grappen
vertellen.
Laat me je
leegte.
Laat me je vullen
met m'n grote dikke leegte.

« Terug