Hotel

Ze kennen mij hier dus al wel;
vreemde, herfstige gast.
Maar ik betaal.

Weer geef ik bedden een verleden,
spiegels
een gezicht.
En overal sluipt stof in,
alle dingen
worden moe.
De angst voor klokken slaat weer toe:
niet de uren, maar het tikken.

Ik ken dat kraken van de vloer,
het suizen
van de luchtverversing.

Nog één keer speel ik douchemoord,
snelle liefde, eenzaam aan de fles.
En vraag de blinde ramen
of het afdoend is als ik ga.
Dat ik 's nachts regen droom.

« Terug