De maan in de vijver van de Grote Straat

Stilleven. Sterreven.

Er vaart een verminkte door de vijver
van de Grote Straat:
een litteken op z’n linkerwang
en ook z’n lijf is niet compleet.
Maar hij roeit rondjes door het riet.

Aan de rand van zijn bestaan
ontvouwen zich papieren lelies,
hoentjes, eenden en een zwaan.
Hij voert ze
stukjes brood.

Verreweg, in een wak van de nacht,
beschrijft een hondje in een kano
cirkels van ontroostbaarheid,
wemelt om de aarde,
lekt signalen naar de oren.

Verminkte draait maar aan de knoppen,
hoort de blikken blaf:
‘... Bureau van Openbaringen...
Eindspreekuur voor mens en dier...’
Op zijn vraag om versterking
schuift een schaduw voor de maan.

Dan wordt het week tussen zijn kniëen,
watervogels stijgen,
kruiend ijs,
schepen en scherven,
gezang.

Hondje hoort het, hoog en hees,
de kruimels, de kringen,
blauwzwart de vijver. De maan.
De man in de vijver.
De maan in de vijver van de Grote Straat.
Dan doet het alles dichtgevroren.

« Terug