Brief aan het Sluishuisje

(in de schaduw van het Colosseum)

Neuneu!
Je zou juist verheugd moeten zijn
met je postuur, trouwens,
geen mens die de jaren aan je afziet,
en dat je ‘al je tijdgenoten hebt zien gaan’
daar luister ik niet eens meer naar.

Weet je nog, het Maupoleum, die zieke olifant,
de gebochelde van de Jodenbree:
een open wond,
maar aan misvormde lichamen raak je gehecht.
Nu in de Lelijke-Gebouwenhemel.

Goed, je reikt nog niet tot de heupen
van die op housebeat uit de fall-out verrezen kolos,
de frisgewassen, blozend Hollandse, mollige kroonprins der nieuwbouw
‘die jou het zonlicht niet gunt’: hèhè.
Wat ouder wordt krimpt en de jeugd wordt steeds groter,
wees dus tandeloos én trots
en zet je niet af tegen kunststof en glas.

Of streef er blijmoedig naar het mee te maken:
hoe ze straks hém weer te lijf gaan met slopersbal en -hamer,
die uit proporties geslagen telg der hemelbestormers, Colosseum,
vroegoude zak loodzware botten; de dinosaurus
zal aan zichzelf tenonder gaan
en wie weet sta je nog lachend achter zijn baar.

In ieder geval wens ik ‘s nachts niet meer te horen
die naargeestige wind, dat geweeklaag en knarsen,
de infantiele geest van je witbebaarde sluiswachter.
Met zijn klompje.

Blijf staan tot de wereld af is
en laat hem in statige stomheid tarten
de tand des tijds, als hij dat moet,
hij heeft ook nergens om gevraagd,
reikend ten hemel,
ten hemel
schreiend.

Draag waardig je slapende takelhaak.
Houd je kranig.

17 augustus 1996, ter gelegenheid van de expositie Stedelijk detail

« Terug