Het dogma der diversiteit

Kunstsubsidievragers en -verstrekkers houden de eigen posities in stand met hun hermetische, dogmatische terminologie. Het is tijd om de ideologie uit de beoordeling van aanvragen te weren.

Cultuurbonzen Melle Daamen en Clayde Menso schrijven (NRC, 23 augustus) dat we onze definitie van cultuur en het bijbehorende beleid moeten afstemmen op een jong, allochtoon publiek. We zouden ‘moeten beginnen naar hen te luisteren en hen serieus te nemen.’ Daarbij valt op, dat de fraseologie van ‘diversiteit’, ‘participatie’ en ‘inclusiviteit’ de auteurs net zo stevig in zijn greep heeft als het beleid dat volgens hen is mislukt: er zouden meer jongeren en allochtonen naar theaters, concertzalen en musea moeten, ‘het culturele veld’ zou een afspiegeling moeten vormen van de samenleving en culturele instellingen zouden zelf ook ‘diverser’ moeten worden. Zodat ‘verhalen die niet of te weinig verteld worden’ worden gehoord.

Subsidie
Daarom willen zij ook nieuwe ‘zuilen’ van allochtonen en jongeren subsidiëren. Of dat nodig is, is maar de vraag, want nooit eerder werden jongeren en allochtonen zo ‘serieus genomen’ als nu. Nooit werden hun ‘verhalen’ zo vaak ‘verteld’. Nooit eerder was zo veel muziek, literatuur, theater van jonge allochtonen voor iedereen bereikbaar – naast de traditionele instellingen, waar Daamen en Menso ze zelf kennelijk niet binnen kregen. Maar fair enough, zou je zeggen: geen gezeik, iedereen rijk. Als de kunstenaar het kan verenigen met z’n gevoel van eigenwaarde, en als de maatschappij op deze manier kwaliteit wil waarborgen: prima. Je moet ervan houden, maar dan heb je ook wat.

Discriminatie
Daarmee roept hun stuk een vraag op die nogal nadrukkelijk níet wordt gesteld: op grond van welke criteria subsidiëren we die kunst en cultuur eigenlijk? In weerwil van het spreekwoord, valt over weinig immers zo lekker te twisten als over smaak – en dus over de waardering van kunst.

Het stelsel is gebaseerd op onderscheid – discriminatie, zo u wilt. Tussen ambachtelijkheid en massaproductie bijvoorbeeld. Tussen originaliteit en jatwerk. Tussen technische beheersing en broddelwerk. Moeilijk of makkelijk. Mooi en lelijk. Goed en slecht. Tussen de smaak van de een en die van de ander. De een houdt van twintigste-eeuwse gecomponeerde muziek, de ander van hiphop. Voor de een is cultuur: hermetische poëzie, voor de ander: kleding, haardracht, voetbal, gamen en op straat hangen – volgens onderzoek dat Daamen en Menso citeren. Wellicht doelen zij daarop met hun wens ‘ruimte te bieden aan andere kwaliteiten’. En misschien ook op het subsidiëren van ‘plekken die de verbeelding prikkelen, die confronteren, verwondering stimuleren, bevragen’.

 

 

 

 

 

 

CUENCA, Arturo – Shadow play, c. 1985. Spray paint on paper.

Eenheidsworstkunst
Hoe het ook zij – dit bekende, in zichzelf gekeerde kunstjargon spreekt boekdelen. Dit idioom is de afgelopen jaren ‘verrijkt’ met nieuwe ideologische clichés over de strijd tegen ‘ongelijkheid’, ‘kloven’ en ‘exclusie’. In dit biotoop is de kunstenaar die zijn subsidieaanvraag niet lardeert met mantra’s van ‘inclusie’, ‘verbinding’ en ‘diversiteit’, bij voorbaat kansloos. Hij wordt geacht dienstbaarheid te tonen aan het geloof dat kunst moet ‘becommentariëren’ en een ‘vehikel’ vormen voor quasi-progressieve maar in wezen diep-bekrompen ideeën en stellingnames waartegen geen weerwoord mogelijk is, in plaats van vakmanschap of ambachtelijkheid te etaleren – laat staan esthetiek. Het resultaat – zogenaamd maatschappelijk geëngageerde, gepolitiseerde eenheidsworstkunst – is zelden mooi, ontroerend of interessant. Wel: voorspelbaar, saai en politiek-correct. Racisme, discriminatie of uitsluiting als thema, allochtone personages, dansers of acteurs, veel verder komt men meestal niet. Of er worden, lekker eclectisch, wat thema’s en technieken uit verschillende culturen gecombineerd, zoals in de Nederlandse bijdrage aan de Biënnale van Venetië. Waarover deze krant op 7 mei schreef dat de kunstenaars ‘een belangrijk verhaal vertellen over een meer inclusieve wereld en een kunstgeschiedenis die bijstelling behoeft’ – zonder toe te lichten waarom dan.

Schrap de ideologie
Het is dit soort dogmatiek, deze ideeënarmoe en dit betekenisloze taaltje, waarmee talentloze subsidievragers en -verstrekkers en de coterie eromheen hun eigen posities en het stelsel in stand houden.

Dat beoordelen van subsidieaanvragen hoeft helemaal niet zo’n kluif te zijn: wie cultuur reduceert tot een gratuit spelletje politieke correctheid, verdient in het geheel geen subsidie. Dus inderdaad: op de schop dat stelsel! Maar dan goed: schrap de ideologische criteria uit het beoordelingskader voor kunstsubsidies.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.