Morrelen, morrelde, gemorreld

Morrelen. Waar hoor je dat woord nog, behalve als het gaat over de hypotheekrenteaftrek? Nou ja, het komt ook wel voorbij in verband met andere politieke gevoeligheden – de AOW-leeftijd, de monarchie, ‘salarisgaranties’, de ‘betaalbaarheid van opvang’ en het ‘plafond voor bonussen’ – maar dat is het wel zo’n beetje. De Volkskrant online vandaag: ‘Geert Wilders stelde dat er wat hem betreft nieuwe verkiezingen komen, mocht het kabinet aan de hypotheekrenteaftrek morrelen.’

Morrelen. Prachtwoord. Je zíet een zootje recalcitrante peuters in een donkere gangkast rondscharrelen, met hun grijpgrage vingertjes de wanden betasten, alles bepotelend wat ze niet kennen, alle onbekende gevolgen blijmoedig negerend.

Morrelen. Met alle klungelende, knoeiende en prutsende connotaties die het woord aankleven. Een kop als ‘wetenschappers morrelen aan ons mens-zijn’ maakt duidelijk dat die negatieve connotatie definitief deel is geworden van de woordbetekenis. Er wordt niet meer aan stoelpoten gezaagd, er wordt gemorreld!

Morrelen. Onvervangbaar: je zult niet snel horen dat het kabinet ‘friemelt’ aan de hypotheekrenteaftrek, of dat Wilders ‘de stekker eruit trekt’ als er wordt ‘gefrunnikt’ aan de AOW-leeftijd.

Morrelen. Bestaat er treffender beeldspraak om de kwalijke gangen van je politieke tegenstanders te kenschetsen?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.