De luiheid van de lolligheidslobby

De minachting en de luiheid waarmee de fröbelschool wordt opgedrongen aan volwassenen – die dat nog accepteren ook – is een uitwas van de opvatting dat leren ‘leuk’ en iedereen ‘excellent’ moet zijn. Ook bij de Akademie van Kunsten.

Op 12 november maakte ik een surrealistische avond mee in het OBA-theater in Amsterdam. Daar organiseerde de Akademie van Kunsten een bijeenkomst met als thema ‘Facing Fear’, naar de tentoonstelling in museum De Fundatie. Met lezingen over de beelden van Giacometti en Chadwick van ‘de ontluistering en angst in Europa tijdens de Koude Oorlog’, en over de ‘betekenissen van emoties in de kunsten’. Dat riep leuke vragen op, voor een lezing van anderhalf uur: wat zijn die betekenissen dan precies, hoe werkt dat bij deze beelden, waarom juist die werken gekozen, et cetera? Handenwrijvend begaf ik mij op weg, vertrouwend op spoedige antwoorden.

‘Moderator’ met ‘creatieve werkvorm’
De avond bleek een ‘moderator’ te kennen; oppassen geblazen, wist ik meteen. En inderdaad: deze gespreksleider hoorde liever zichzelf spreken dan de genodigden, vatte ingewikkelde vragen samen door ze te herhalen, en herformuleerde glasheldere bijdragen juist nét even anders, waardoor telkens de twijfel toesloeg. Het grijze publiek sprak hij aan met ‘jou’ en ‘jullie’. Af en toe tokkelde hij wat op een cello. De man was werkzaam aan een kunstenhogeschool. Dat bleek niet alleen uit zijn quizmasterspak en zijn olijke sokken – vooral zijn methoden verraadden hem.
Zo was het onmogelijk de eerste spreker vragen te stellen. Wel maakte de moderator een rondje door het publiek: welk woord was ons bijgebleven? De antwoorden herhaalde hij luid, alsof we ze pas hoorden als ze door hém werden uitgesproken. Dit was ‘het activeren van kennis’, begreep ik. De eerste mensen begonnen de zaal te verlaten, maar ik bleef zitten: aanstonds zou hij ons vast een verhelderende slotsom bieden, een samenvatting van die kretologie. Helaas: zonder ook maar een poging tot reflectie kondigde hij de volgende lezing aan. Ook daarna kon het publiek niet gewoon vragen stellen – dat moest in ‘clustertjes van vijf’, waarna de sprekers kozen waarop ze wilden antwoorden. ‘Kijken wat ik bij jullie kan ophalen’, noemde de moderator dat, ‘jullie worden in elk geval gehoord’. Een toezegging die even vrijblijvend was als zijn idioom, waarin beelden ‘spannend’ waren, verhalen ‘narratieven’, en het resultaat van dat ‘ophalen’ – om het nog enigszins concreet te maken – ‘opbrengsten’.
Toen begon het me te dagen: de man trok ongegeneerd zijn volledige pedagogisch-didactisch arsenaal uit de kast, tegenover een publiek dat toch waarachtig de jaren des onderscheids bereikt had. Die prikkelende vragen waarop ik antwoord had gehoopt te krijgen, zou ik zelf moeten beantwoorden. Hij zou dit waarschijnlijk een ‘creatieve werkvorm’ noemen, maar ik herkende de schaamteloze luiheid waarmee in steeds bredere kring kinderlijke onderwijstrucjes worden toegepast op volwassenen – die dat nog accepteren ook.

 

 

 

 

 

Leren moet ‘leuk’ zijn
Hier zagen wij de Nederlandse opvatting dat leren ‘leuk’ moet zijn in de praktijk. Inmiddels erkennen zelfs studenten dat dat een misvatting is, maar het taboe is sterker: het is niet altijd leuk en de een kan het, om vele redenen, nu eenmaal beter dan de ander – maar dat durft niemand hardop te zeggen. Kennis is verdacht, en als je meer weet dan een ander dreigt er een ‘kloof’ – en dán verheft een machtige lolligheidslobby zijn stem, die zegt dat onderwijs wel ‘studeerbaar’ moet blijven. Kringgesprekken, dansen en ‘serious games’ dus. Zo heeft de nivelleringsdrift van decennia onderwijsvernieuwing geleid tot een samenleving waarin iedereen ‘excellent’ of ‘hoogopgeleid’ heet – en uiteindelijk níemand dat dus meer is.
In zo’n klimaat worden doorwrochte colleges en degelijke lezingen zeldzaamheden. Je inspannen, nadenken en iets leren? Nee hoor: leuke ‘werkvormen’, samen woordwolken maken, rollenspellen spelen. Dreigt het publiek ook maar éven verveeld te raken, dan wordt er een ‘energizer’ tegenaan gegooid: muziek, hinkelen, geeltjes plakken op systeemwanden (en daar foto’s van maken, die vervolgens hun weg vinden naar het personeelsblad, dat niemand ooit nog inkijkt), ‘wereldcafés’ – de teloorgang van het onderwijs weerspiegeld in de fröbelschool die de gemiddelde bijeenkomst van ‘professionals’ is geworden. Iedereen een kleurpotlood!
Er is anno 2018 nauwelijks nog een werknemer die niet heeft geknipt, geplakt, getekend – of erger. Hun lot is dat van de tragische helden in zombiefilms: hoe lang zij ook weerstand boden tegen het dood en verderf zaaiende systeem, nadat zij zijn besmet worden ze er onderdeel van. Wie zich verzet, is een spelbreker – dus de meesten kiezen de weg van de minste weerstand. Zo reduceert deze plaag redelijk weldenkende mensen tot marionetten die willoos meegaan in de ‘kleurenleer’ van de man van de lolligheidslobby, die ze om half negen ‘s ochtends meedeelt dat hij ze gaat ‘inspireren’ met kaartjes waarop staat welk ‘type’ ze zijn.

Infantiliserende spelletjescultuur
De minachting voor het publiek is niet het ergste. Werkelijk verontrustend is het dat zo’n Akademie van Kunsten – nota bene ressorterend onder de Koninklijke Akademie van Wetenschappen – kennelijk niet eens de indruk wil wekken haar eigen doelstelling serieus te nemen: het debat over de waarde van kunst in de samenleving en over de relatie kunst-wetenschap stimuleren.
Welnu: het is tijd voor een opstand tegen deze infantiliserende spelletjescultuur: leve de inspanning, leve de kennis, leve het werkelijke debat! Laat mensen met verstand van zaken aan het woord! Luister naar vragen! En geef daar fatsoenlijk antwoord op, zodat je publiek iets leert, in plaats van het te laten vernederen door een quasi-leuke quizmaster met zijn lauwwarm opgepiepte didactische prak.
Ik hoop dat de Akademie haar publiek serieus gaat nemen – en dat u, publiek, de volgende ‘moderator’ die u geeltjes, kleurtjes, spiegeltjes of kralen aanbiedt, op niet mis te verstane wijze duidelijk maakt waar hij die kan laten.

2 thoughts

  1. Taaldokter je had het kunnen weten. Een titel in het “Engels” voor deze lezing. Dat is alleen bedoeld voor snobs die ten slachtoffer zijn gevallen aan de Angelsaksische mode. Die willen laten zien dat ze meegegaan zijn in de vaart der volkeren en vooraanstaan bij elke maatschappelijke modernisering. Daar duiken dan woorden bij op als”met je tijd meegaan, internationaal en globaliseren. Natuurlijk horen daar dan ook termen bij die deze houding illustreren. Als het even kan moeilijke woorden en vanwege het internationale karakter, vooral Engelse. Dit om zich te onderscheiden van het klootjesvolk, waartoe ik zelf behoor. Niet hoogopgeleid en wonend in Oost Groningen. Nou dan weet je het wel. Het Nederlands van de Randstad wordt elke dag onwezenlijker. Het woord moderator komt ons nog bekend voor omdat de Duitse tv. dat woord al jaren bezigt. Maar als iemand begint over de “core business” dan zijn we de kluts kwijt. Ook lees en hoor ik “dat is wat het is” als men bedoelt “Dat is het”. Zeggen deskundigen ook nog dat onderwijs in het Engels geen invloed heeft op het taalgebruik in het Nederlands. Ik voorspel je: het wordt een mengelmoes. Over twintig jaar speken we “Nedengels” waarbij je de D ook in een T mag veranderen. En behalve de kloof tussen arm en rijk zal ook de taalkloof tussen mensen in de provincie die nog gewoon Nederlands spreken en de hoogopgeleide kak in de Randstad groter worden dan ooit. Taaldokter laat uw licht daar a.u.b. eens over schijnen.
    met vriendelijke groet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *